Vindplaatsen van het woord reisden in het oude testament (21 verzen):

Genesis 35:5
En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.

Genesis 35:16
En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.

Exodus 12:37
Alzo reisden de kinderen IsraŽls uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.

Exodus 13:20
Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

Exodus 40:36
Als nu de wolk opgeheven werd van boven den tabernakel, zo reisden de kinderen IsraŽls voort in al hun reizen.

Exodus 40:37
Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op den dag, dat zij opgeheven werd.

Numeri 10:28
Dit waren de tochten der kinderen IsraŽls, naar hun heiren, als zij reisden.

Numeri 20:22
Toen reisden zij van Kades; en de kinderen IsraŽls kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.

Numeri 21:4
Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.

Numeri 21:11
Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.

Numeri 21:12
Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.

Numeri 21:13
Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.

Numeri 21:16
En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.

Numeri 21:18
Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;

Numeri 22:1
Daarna reisden de kinderen van IsraŽl, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.

Numeri 33:3
Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen IsraŽls uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;

Deuteronomium 2:1
Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seir, vele dagen.

Deuteronomium 10:6
(En de kinderen IsraŽls reisden van Beeroth-bene-jaakan en Mosera. Aldaar stierf Ašron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.

Deuteronomium 10:7
Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)

Jozua 3:1
Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen IsraŽls; en zij vernachtten aldaar, eer zij overtrokken.

Richteren 18:11
Toen reisden van daar uit het geslacht der Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen.