Vindplaatsen van het woord stad in de apocriefe geschriften (211 verzen):

3 Ezra 2:18
Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.

3 Ezra 2:19
Indien dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.

3 Ezra 2:22
En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft;

3 Ezra 2:23
En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.

3 Ezra 2:26
Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;

3 Ezra 2:28
Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde gedaan.

3 Ezra 4:48
En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.

3 Ezra 4:53
En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.

3 Ezra 4:56
En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou geven.

3 Ezra 5:8
En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.

3 Ezra 6:8
Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,

3 Ezra 6:9
In de stad Jeruzalem bouwende waren een nieuw en groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;

3 Ezra 6:23
Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren;

4 Ezra 3:1
IN het dertigste jaar van de ondergang der stad, was ik te Babylon, en lag bekommerd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart;

4 Ezra 3:24
En gij hebt hem gezegd, dat hij uw naam een stad zou bouwen, en dat men u daarin wierook en offeranden zou offeren.

4 Ezra 3:25
En dat is vele jaren geschied, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen u;

4 Ezra 3:27
En gij hebt uw stad overgegeven in de handen uwer vijanden.

4 Ezra 7:6
Nog een andere gelijkenis: Een stad is gebouwd en gelegen in een vlak veld, en is vol van allerlei goederen;

4 Ezra 7:9
Indien nu deze stad iemand tot een erve gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erve verkrijgen?

4 Ezra 8:52
Want ulieden is het paradijs geopend, de boom des levens geplant, de toekomende tijd bereid, de overvloed toebereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt, en de wijsheid voltrokken.

4 Ezra 10:4
En ik heb voorgenomen niet weder in de stad te komen, maar hier te blijven, en niet te eten noch te drinken, en zonder ophouden te treuren en te vasten totdat ik sterf.

4 Ezra 10:17
Ga dan weder naar de stad tot uw man.

4 Ezra 10:18
En zij zeide tot mij: Ik zal dat niet doen, ik zal niet in de stad gaan, maar hier zal ik sterven.

4 Ezra 10:27
En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zeide:

4 Ezra 10:42
En nu ziet gij de gestalte der vrouw niet meer; maar het heeft u geschenen, dat een stad gebouwd werd.

4 Ezra 10:44
Deze vrouw, die gij gezien hebt is Sion, welke gij ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.

4 Ezra 10:46
En het is gebeurd, dat Salomo na dertig jaren de stad heeft gebouwd en offeranden heeft geofferd, toen is het geschied dat de onvruchtbare een zoon gebaard heeft.

4 Ezra 10:54
Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw eens mensen verdragen worden, waar de stad des Allerhoogsten zou begonnen vertoond te worden.

4 Ezra 12:40
En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

4 Ezra 12:50
En het volk is naar de stad vertrokken, gelijk ik hun gezegd had.

4 Ezra 13:31
En de een zal de ander willen bestrijden, de ene stad de andere, en het ene volk zal tegen het andere zijn, en het ene rijk tegen het andere.

4 Ezra 15:17
Want een mens zal begeren in een stad te gaan, en hij zal niet kunnen.

4 Ezra 15:48
Gij hebt de gehate stad altijd willen navolgen in al haar werken en vonden, daarom spreekt de Here:

4 Ezra 15:60
In het doortrekken zullen zij de verslagen stad in stukken stoten, en zullen een gedeelte van uw land verderven, en een deel van uw heerlijkheid uitroeien, en zo tot het verwoeste Babylon wederkeren.

4 Ezra 16:29
Ja van een stad zullen er alleen tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstoken zullen hebben in de dichte bossen, en in de kloven der steenrotsen.

Tobias (Tobit) 1:2
Die gevankelijk weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.

Tobias (Tobit) 1:16
En ik gaf tien talenten zilvers in bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.

Tobias (Tobit) 1:20
Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die begroef ik.

Tobias (Tobit) 13:10
Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen.

Judith 1:1
IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke regeerde over de Meden te Ecbatana,

Judith 1:3
En stelde zijn torens op de poorten dezer stad, van honderd ellen in de hoogte.

Judith 4:2
En zij werden uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.

Judith 6:8
En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.

Judith 6:10
Maar de kinderen Israëls kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië.

Judith 6:11
En stelden hem voor de oversten van hun stad, welke op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.

Judith 6:12
En zij riepen al de oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de vrouwen liepen tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.

Judith 7:6
Maar de tweede dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht der kinderen Israëls, die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen naar de stad.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 7:15
En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.

Judith 7:20
Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad.

Judith 8:3
Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:17
Dewijl in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke de goden dient, die met handen gemaakt zijn.

Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.

Judith 10:6
En zij gingen uit naar de poort der stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten der stad Chabrin en Charmin.

Judith 10:9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.

Judith 10:10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

Judith 13:12
En zij beiden gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op de berg der stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten.

Judith 13:14
En het geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad bijeen.

Judith 14:2
En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen zijt, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Boek der Wijsheid 9:8
Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne bereid hadt.

Jezus Sirach 7:7
Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.

Jezus Sirach 9:7
Zie niet om in de straten der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.

Jezus Sirach 9:18
Weet, dat gij in het midden der strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.

Jezus Sirach 9:22
Een klapachtig man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden.

Jezus Sirach 10:2
Gelijk als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.

Jezus Sirach 10:3
Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen bewoond worden.

Jezus Sirach 16:5
Want van een verstandige zal een stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht der goddelozen zal haastig woest worden.

Jezus Sirach 23:28
Deze zal op de straten der stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.

Jezus Sirach 24:11
En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.

Jezus Sirach 26:6
De lastering ener stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze zijn bezwaarlijker dan de dood.

Jezus Sirach 31:27
Die karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid is scherp.

Jezus Sirach 36:15
Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem, welke de plaats uwer rust is.

Jezus Sirach 36:28
Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.

Jezus Sirach 38:38
Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.

Jezus Sirach 40:18
Kinderen, en opbouw der stad onderstutten de naam.

Jezus Sirach 42:14
Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.

Jezus Sirach 48:19
Hiskia maakte zijn stad vast, en leidde water in het midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen om water te hebben.

Jezus Sirach 49:8
Die hebben de uitverkoren, heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door de hand van Jeremia.

Jezus Sirach 50:5
Gij hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, gij zijt verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.

Baruch 4:32
Onzalig zijn de steden, welke uw kinderen gediend hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft.

Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;

Esther (apocr.) 16:24
Doch alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur gans verdelgd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogelen voor altijd vijand gemaakt worden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:28
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad onzer vaderen, want gij hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, om onzer zonden wil.

1 Makkabeeën 1:32
En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël.

1 Makkabeeën 1:33
En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en muren rondom af;

1 Makkabeeën 1:35
En zij bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.

1 Makkabeeën 1:41
En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar.

1 Makkabeeën 1:55
En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad tot stad.

1 Makkabeeën 2:7
En zeide: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn volk, en de overlast der heilige stad, en om daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand der vijanden?

1 Makkabeeën 2:15
En daar kwamen enigen van des konings wege, in de stad Modin, die de lieden dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.

1 Makkabeeën 2:17
En die van des konings wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;

1 Makkabeeën 2:27
En Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.

1 Makkabeeën 2:28
En hij en zijn zonen vloden naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.

1 Makkabeeën 2:31
En de mannen des konings, en de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod des konings hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.

1 Makkabeeën 3:37
En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.

1 Makkabeeën 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 Makkabeeën 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:

1 Makkabeeën 5:44
En zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad Karnaïn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas.

1 Makkabeeën 5:46
En als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang des lands, zeer sterk, en men kon ze noch ter rechter hand noch ter linkerhand voorbij trekken, maar men moest midden daardoor trekken),

1 Makkabeeën 5:47
Zo sloten die van de stad hen buiten,

1 Makkabeeën 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.

1 Makkabeeën 5:52
En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan.

1 Makkabeeën 5:59
En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.

1 Makkabeeën 6:1
En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver en van goud;

1 Makkabeeën 6:3
Zo is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de lieden van die stad bekend werd.

1 Makkabeeën 6:7
En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura, zijn stad.

1 Makkabeeën 6:49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.

1 Makkabeeën 6:63
En is haastig vertrokken, en keerde weder naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.

1 Makkabeeën 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 Makkabeeën 7:32
En daar vielen aan de zijde van Nicanor omtrent vijfhonderd mannen, en zij vloden in de stad Davids.

1 Makkabeeën 8:28
En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog.

1 Makkabeeën 9:52
En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden en voorraad van spijs.

1 Makkabeeën 9:62
En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.

1 Makkabeeën 9:65
En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot getal.

1 Makkabeeën 9:67
Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen uit de stad, en verbrandde de instrumenten van geweld.

1 Makkabeeën 10:10
En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.

1 Makkabeeën 10:39
De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan worden.

1 Makkabeeën 10:63
En zeide tot zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak.

1 Makkabeeën 10:75
En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.

1 Makkabeeën 10:76
En die van de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.

1 Makkabeeën 10:86
En Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.

1 Makkabeeën 10:89
En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.

1 Makkabeeën 11:3
En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk tot bezetting.

1 Makkabeeën 11:44
En die van de stad vergaderden in het midden van de stad, omtrent honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.

1 Makkabeeën 11:45
En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen der stad in, en begonnen hem te bestrijden.

1 Makkabeeën 11:46
En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de stad.

1 Makkabeeën 11:47
En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten de koning.

1 Makkabeeën 11:48
En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden, gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, en riepen tot de koning met smeking,

1 Makkabeeën 11:49
Zeggende: Geef ons de rechter hand, en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.

1 Makkabeeën 11:55
En Tryfon kreeg de beesten, en bemachtigde de stad van Antiochië.

1 Makkabeeën 11:59
En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.

1 Makkabeeën 11:64
En Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield haar besloten.

1 Makkabeeën 11:65
En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin.

1 Makkabeeën 12:36
En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch verkopen.

1 Makkabeeën 12:37
En zij vergaderden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.

1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.

1 Makkabeeën 13:10
En hij vergaderde alle strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom.

1 Makkabeeën 13:25
En Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.

1 Makkabeeën 13:43
In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.

1 Makkabeeën 13:44
En die in deze stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde een grote beroerte in de stad.

1 Makkabeeën 13:45
En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen, hun klederen verscheurende, en riepen met een grote stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven.

1 Makkabeeën 13:47
En Simon liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.

1 Makkabeeën 14:20
De overste en de stad der Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.

1 Makkabeeën 14:36
Zodat in zijn tijd alles voorspoedig is geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit zij uitvallende alles rondom het heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten onder de geheiligden.

1 Makkabeeën 14:37
En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.

1 Makkabeeën 15:11
En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.

1 Makkabeeën 15:14
En hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee te zamen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of in trekken.

1 Makkabeeën 16:10
En zij vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van dezen vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weder naar het land Juda met vrede.

2 Makkabeeën 1:12
Want hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden, van ons uitgedreven.

2 Makkabeeën 2:23
En dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid hun genadig was geworden;

2 Makkabeeën 3:1
Als de heilige stad in alle vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden onderhouden, om des hogepriesters Onias' godzaligheid en haat der boosheid.

2 Makkabeeën 3:4
En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd.

2 Makkabeeën 3:9
Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in der waarheid waren.

2 Makkabeeën 3:14
En een dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid in de gehele stad.

2 Makkabeeën 4:2
En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.

2 Makkabeeën 4:22
En zeer heerlijk door Jason en de ganse stad ontvangen, en met toortsen en gejuich ingehaald zijnde, zo is hij daarna met zijn krijgsvolk getrokken naar Fenicië.

2 Makkabeeën 4:36
En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.

2 Makkabeeën 4:38
En in zijn gemoed met gramschap ontstoken zijnde, heeft deze terstond Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.

2 Makkabeeën 4:39
En als door Lysimachus vele kerkroverijen in de stad geschiedden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, nadat weder veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht was.

2 Makkabeeën 4:48
Zo hebben dan haastelijk een onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze beschuldiging aangebracht hadden.

2 Makkabeeën 5:2
En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden;

2 Makkabeeën 5:5
En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen vergaderd hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de burcht.

2 Makkabeeën 5:8
Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.

2 Makkabeeën 5:11
De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.

2 Makkabeeën 5:17
Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet aanmerkende, dat om der zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.

2 Makkabeeën 5:26
En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.

2 Makkabeeën 6:10
Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, welke zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.

2 Makkabeeën 8:3
En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;

2 Makkabeeën 8:17
En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest was.

2 Makkabeeën 9:2
Want als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.

2 Makkabeeën 9:14
Dat hij de heilige stad, tot welke bij haastte te komen, om ze ten gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij zou stellen;

2 Makkabeeën 10:1
En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Here hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.

2 Makkabeeën 10:27
Als zij van het gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven zij stil staan.

2 Makkabeeën 10:37
En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas en Apollofanes.

2 Makkabeeën 11:2
En vergaderd hebbende omtrent tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats der heidenen;

2 Makkabeeën 12:4
En als zij, volgens het algemeen besluit der stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd.

2 Makkabeeën 12:13
En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen gemengd, bewoond werd, met name Caspin.

2 Makkabeeën 12:16
En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.

2 Makkabeeën 12:27
En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen.

2 Makkabeeën 12:28
Doch zij, aanroepende God de prins, die met kracht der vijanden macht verbreekt, hebben de stad ingenomen en onderdanig gemaakt, en sloegen van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend.

2 Makkabeeën 12:29
En vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiën.

2 Makkabeeën 12:38
En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.

2 Makkabeeën 13:13
En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp des Heren.

2 Makkabeeën 13:14
Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan de schepper der wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland en regering sloeg omtrent Modin zijn leger op.

2 Makkabeeën 14:37
En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader der Joden was genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor.

2 Makkabeeën 15:14
En dat Onias, antwoordende, zou gezegd hebben: Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broeders liefheeft, en die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad;

2 Makkabeeën 15:17
Zij dan vermaand zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen manhaftig te maken, namen voor geen leger op te slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.

2 Makkabeeën 15:19
En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou geschieden, hen ontroerende.

2 Makkabeeën 15:38
Dewijl dan de zaken van Nicanor aldus afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën de stad in hun macht gehad hebben, zo zal ik ook hier mijn rede afbreken.

3 Makkabeeën 1:14
Maar als de priesters met hun geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen daar gedaan was.

3 Makkabeeën 1:16
En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.

3 Makkabeeën 2:8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.

3 Makkabeeën 2:23
Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning.

3 Makkabeeën 3:5
Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans geen leed geschied was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop geschiedde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),

3 Makkabeeën 4:3
Wat landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?

3 Makkabeeën 4:9
Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.

3 Makkabeeën 4:10
Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.

3 Makkabeeën 5:15
Zodra nu de haan des morgens vroeg kraaide, wapende Hermon die grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het volk uit de ganse stad vergaderde tot dit zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond.

3 Makkabeeën 5:26
Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te worden.

3 Makkabeeën 5:29
Toen zijn de vrienden en magen zeer blijde geworden, met vertrouwen vertrokken en zij bestelden het krijgsvolk op al de geschiktste plaatsen der stad tot bewaring.

3 Makkabeeën 5:30
En de overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.

3 Makkabeeën 6:4
Gij hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk bewezen.

3 Makkabeeën 6:27
Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.

3 Makkabeeën 6:37
Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud:

3 Makkabeeën 7:14
Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij nu de volkomen genieting hunner behoudenis verkregen hadden vertrokken gelijk uit de stad met allerlei zeer welriekende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God hunner vaderen, de heilige verlosser Israëls.

3 Makkabeeën 7:15
Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang wachtende was, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis kwamen.