Vindplaatsen van het woord spijs in de apocriefe geschriften (38 verzen):
3 Ezra 5:54
En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, en spijs en drank,
3 Ezra 8:80
En om ons een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes Gods, en om ons spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.
3 Ezra 8:81
Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen der Perzen, om ons spijs te geven.
4 Ezra 1:19
Toen had ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot spijs gegeven; gij hebt der engelen brood gegeten.
4 Ezra 5:18
Sta dan op, en nuttig spijs, en verlaat ons niet, als een herder zijn schapen, in het geweld der kwade wolven.
4 Ezra 9:26
En ik ben heengegaan, gelijk hij mij gezegd had, in het veld hetwelk Ardath heet, en ik zat aldaar in de bloemen; en ik at van het kruid des akkers, en ik werd van zijn spijs verzadigd.
4 Ezra 9:34
En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een vat de spijs en de drank, wanneer hetgeen verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is,
4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.
4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.
Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.
Tobias (Tobit) 2:4
En ik sprong op, eer ik spijs nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis, totdat de zon zou ondergegaan zijn.
Tobias (Tobit) 7:9
En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.
Tobias (Tobit) 7:12
En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.
Judith 11:10
Want dewijl hun de spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft te eten.
Judith 11:11
Zij hebben ook voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, welke zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn onzes Gods staan, welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt aan te raken.
Judith 12:1
EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn wijn.
Judith 12:9
En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar haar spijs bracht tegen de avond.
Judith 13:11
En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.
Boek der Wijsheid 4:5
De ontijdige takjes zullen rondom gebroken worden, en hun vrucht is onnut, onrijp tot spijs, en tot niets geschikt.
Boek der Wijsheid 16:2
In plaats van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een spijs, namelijk kwakkelen hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen.
Boek der Wijsheid 16:3
Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn.
Boek der Wijsheid 16:20
Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.
Boek der Wijsheid 19:11
En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen, toen zij door lust gedreven zijnde lekkere spijs begeerden.
Boek der Wijsheid 19:20
Wederom de vlammen verzengden niet het vlees der zeer licht verderfelijke beesten, wandelende in het midden derzelve, en die als ijs licht smeltende hemelse spijs versmolt niet.
Jezus Sirach 13:8
Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.
Jezus Sirach 14:17
Want men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.
Jezus Sirach 29:26
Het leven des armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke spijs onder de vreemden.
Jezus Sirach 29:30
Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.
Jezus Sirach 31:26
Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.
Jezus Sirach 31:27
Die karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid is scherp.
Jezus Sirach 33:24
Voor een ezel behoort voeder, en een stok en last; voor een huisknecht spijs, en tuchtiging, en werk.
Jezus Sirach 36:20
De buik eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de andere.
Jezus Sirach 36:21
De keel smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent een verstandig hart leugenachtige redenen.
Jezus Sirach 37:31
Want door veel spijs komt ziekte, en de onverzadelijkheid nadert tot buikpijn.
Jezus Sirach 41:2
Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om spijs te nemen.
1 Makkabeeën 9:52
En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden en voorraad van spijs.
3 Makkabeeën 5:21
Zo vele ouders, of kindskinderen als er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (indien ik het niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden.
3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst