Vindplaatsen van het woord straffen in de apocriefe geschriften (17 verzen):

4 Ezra 12:33
Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal geschieden, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen.

4 Ezra 15:12
Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelve brengen zal.

Boek der Wijsheid 19:12
Want tot hun troost kwamen kwakkelen op uit de zee; doch de straffen kwamen over de zondaars;

Jezus Sirach 10:15
Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd.

Jezus Sirach 23:12
En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.

Baruch 2:9
En de Here is wakker geweest in de straffen, en de Here heeft die over ons gebracht, want de Here is rechtvaardig in al zijn werken, die hij ons heeft geboden.

2 Makkabeeën 6:12
Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding van ons geslacht.

2 Makkabeeën 6:14
Want de Here doet hun niet gelijk de andere volken, dat hij lankmoedig blijft, totdat hij hen ontmoet om hen te straffen, als hun zonden vervuld zijn.

2 Makkabeeën 7:36
Want onze broeders, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar gij zult door het oordeel Gods rechtvaardige straffen van deze hovaardigheid wegdragen.

3 Makkabeeën 2:6
Gij hebt de trotse Faraö, die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend gemaakt.

3 Makkabeeën 2:7
Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde met wagens en menigte der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen hebben.

3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.

3 Makkabeeën 4:10
Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.

3 Makkabeeën 4:11
Overmits hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien.

3 Makkabeeën 5:28
Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen zonder enig verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten dezer wrede beesten, en zo ten grave zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offeranden offerden daar wij niet mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.

3 Makkabeeën 6:24
Wie heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren der mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen?

3 Makkabeeën 7:2
Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo hebben sommigen onzer vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op een hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk afvalligen, straffen.