Vindplaatsen van het woord steen in de apocriefe geschriften (14 verzen):

4 Ezra 5:5
Het bloed zal van het hout druipen, en de steen zal zijn stem geven, en de volken zullen bewogen worden.

Boek der Wijsheid 7:9
Ik vergeleek geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien van haar is als een weinig zand, en zilver is als slijk tegen haar te rekenen.

Boek der Wijsheid 11:4
Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen.

Boek der Wijsheid 13:10
Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.

Boek der Wijsheid 14:21
En dit is tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen gemaakt worden.

Jezus Sirach 6:22
Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.

Jezus Sirach 17:13
Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.

Jezus Sirach 22:1
DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.

Jezus Sirach 22:24
Wie een steen onder de vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.

Jezus Sirach 27:26
Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke slag de wond wijd.

Jezus Sirach 29:13
Verlies uw geld om uws vriends en broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.

Jezus Sirach 47:5
Toen hij zijn hand ophief om met de steen des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.

1 Makkabeeën 2:36
En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:

1 Makkabeeën 10:73
En nu, gij zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vlieden.