Vindplaatsen van het woord syriėrs in het oude testament (61 verzen):
2 Samuėl 8:5
En de Syriėrs van Damaskus kwamen om Hadad-ezer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriėrs twee en twintig duizend man.
2 Samuėl 8:6
En David leide bezettingen in Syriė van Damaskus, en de Syriėrs werden David tot knechten, brengende geschenken; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.
2 Samuėl 8:13
Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriėrs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend.
2 Samuėl 10:6
Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriėrs van Beth-rechob, en van de Syriėrs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van den koning van Maacha duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.
2 Samuėl 10:8
En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur der poort; maar de Syriėrs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maacha waren bijzonder in het veld.
2 Samuėl 10:9
Als nu Joab zag, dat de spits der slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israėl, en stelde hen in orde tegen de Syriėrs aan;
2 Samuėl 10:11
En hij zeide: Zo de Syriėrs mij te sterk zullen zijn, zo zult gij mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen.
2 Samuėl 10:13
Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriėrs; en zij vloden voor zijn aangezicht.
2 Samuėl 10:14
Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriėrs vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem.
2 Samuėl 10:15
Toen nu de Syriėrs zagen, dat zij voor Israėls aangezicht geslagen waren, zo vergaderden zij zich weder te zamen.
2 Samuėl 10:16
En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriėrs uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.
2 Samuėl 10:17
Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gans Israėl, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriėrs stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem.
2 Samuėl 10:18
Maar de Syriėrs vloden voor Israėls aangezicht, en David versloeg van de Syriėrs zevenhonderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij aldaar stierf.
2 Samuėl 10:19
Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor Israėls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israėl, en dienden hen; en de Syriėrs vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.
1 Koningen 20:20
En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriėrs vloden, en Israėl jaagde hen na. Doch Benhadad, de koning van Syriė, ontkwam op een paard, met enige ruiteren.
1 Koningen 20:21
En de koning van Israėl toog uit, en sloeg paarden en wagenen, dat hij een groten slag aan de Syriėrs sloeg.
1 Koningen 20:26
Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars, dat Benhadad de Syriėrs monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israėl.
1 Koningen 20:27
De kinderen Israėls werden ook gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de kinderen Israėls legerden zich tegenover hen, als twee blote geitenkudden, maar de Syriėrs vervulden het land.
1 Koningen 20:28
En de man Gods trad toe, en sprak tot den koning van Israėl, en zeide: Zo zegt de HEERE: Daarom dat de Syriėrs gezegd hebben: De HEERE is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.
1 Koningen 20:29
En dezen waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op den zevenden dag, dat de strijd aanging; en de kinderen Israėls sloegen van de Syriėrs honderd duizend voetvolks op een dag.
1 Koningen 22:11
En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriėrs stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.
1 Koningen 22:35
En de strijd nam op denzelven dag toe, en de koning werd met den wagen staande gehouden tegenover de Syriėrs; maar hij stierf des avonds, en het bloed der wonde vloeide in den bak des wagens.
2 Koningen 5:1
Naäman nu, de krijgsoverste van den koning van Syriė, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE den Syriėrs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.
2 Koningen 6:9
Maar de man Gods zond henen tot den koning van Israėl, zeggende: Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriėrs zijn daarhenen afgekomen.
2 Koningen 6:23
En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden der Syriėrs niet meer in het land van Israėl.
2 Koningen 7:4
Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriėrs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.
2 Koningen 7:5
En zij stonden op in de schemering, om in het leger der Syriėrs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger der Syriėrs kwamen, ziet, toen was er niemand.
2 Koningen 7:6
Want de HEERE had het heir der Syriėrs doen horen een geluid van wagenen, en een geluid van paarden, het geluid ener grote heirkracht; zodat zij zeiden de een tot den ander: Zie, de koning van Israėl heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons te komen.
2 Koningen 7:10
Zo kwamen zij, en riepen tot den poortier der stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriėrs, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren.
2 Koningen 7:12
En de koning stond op in den nacht, en zeide tot zijn knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriėrs ons gedaan hebben; zij weten, dat wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen.
2 Koningen 7:14
Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger der Syriėrs achterna, zeggende: Gaat henen, en ziet.
2 Koningen 7:15
En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de ganse weg was vol van klederen en gereedschap, die de Syriėrs in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder, en boodschapten het den koning.
2 Koningen 7:16
Toen ging het volk uit, en beroofde het leger der Syriėrs; en een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, naar het woord des HEEREN.
2 Koningen 8:28
En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazaėl, den koning van Syriė; en de Syriėrs sloegen Joram.
2 Koningen 8:29
Toen keerde Joram, de koning, wederom, opdat hij zich te Jizreėl helen liet van de slagen, die hem de Syriėrs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaėl, den koning van Syriė; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreėl te bezien, want hij was krank.
2 Koningen 9:15
Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreėl helen liet van de slagen, die hem de Syriėrs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaėl, den koning van Syriė.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreėl te gaan verkondigen.
2 Koningen 13:5
(Zo gaf de HEERE Israėl een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriėrs uitkwamen; en de kinderen Israėls woonden in hun tenten, als te voren.
2 Koningen 13:17
En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriėrs; want gij zult de Syriėrs slaan in Afek, tot verdoens toe.
2 Koningen 13:19
Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijf maal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriėrs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriėrs driemaal slaan.
2 Koningen 16:6
Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syriė, Elath weder aan Syriė, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriėrs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.
2 Koningen 24:2
En de HEERE zond tegen hem de benden der Chaldeeėn, en de benden der Syriėrs, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten, de profeten.
1 Kronieken 18:5
En de Syriėrs van Damaskus kwamen, om Hadar-ezer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriėrs twee en twintig duizend man.
1 Kronieken 18:6
En David leide bezetting in Syriė van Damaskus, alzo dat de Syriėrs Davids knechten werden, geschenken brengende. En de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.
1 Kronieken 19:10
Toen Joab zag, dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zo verkoos hij enigen uit alle uitgelezenen in Israėl, en hij stelde hen in orde tegen de Syriėrs aan.
1 Kronieken 19:12
En hij zeide: Indien mij de Syriėrs te sterk worden, zo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen.
1 Kronieken 19:14
Toen naderde Joab en het volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezicht der Syriėrs; en zij vloden voor zijn aangezicht.
1 Kronieken 19:15
Toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriėrs vloden, zo vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai, zijn broeder, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem.
1 Kronieken 19:16
Als de Syriėrs zagen, dat zij voor het aangezicht van Israėl geslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de Syriėrs uit, die aan gene zijde der rivier woonden; en Sofach, de krijgsoverste van Hadar-ezer, toog voor hun aangezicht heen.
1 Kronieken 19:17
Toen het David werd aangezegd, zo vergaderde hij gans Israėl, en hij toog over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen de Syriėrs gesteld had, zo streden zij met hem.
1 Kronieken 19:18
Doch de Syriėrs vloden voor het aangezicht van Israėl, en David versloeg van de Syriėrs zeven duizend wagenen, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, den krijgsoverste.
1 Kronieken 19:19
Toen de knechten van Hadar-ezer zagen, dat zij geslagen waren, voor het aangezicht van Israėl, zo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriėrs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen.
2 Kronieken 18:10
En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriėrs stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.
2 Kronieken 18:34
En de strijd nam op dien dag toe, en de koning van Israėl deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriėrs, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.
2 Kronieken 22:5
Hij wandelde ook in hun raad, en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israėl, tot den strijd tegen Hazaėl, den koning van Syriė, bij Ramoth in Gilead; en de Syriėrs sloegen Joram.
Psalmen 60:2
Als hij gevochten had met de Syriėrs van Mesopotamiė, en met de Syriėrs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.
Jesaja 7:2
Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriėrs rusten op Efraļm, zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind.
Jesaja 7:4
En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriėrs, en van den zoon van Remalia;
Jesaja 9:11
De Syriėrs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israėl opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Jesaja 17:3
En de vesting zal ophouden van Efraļm, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriėrs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israėls, spreekt de HEERE der heirscharen.
Jeremia 35:11
Maar het is geschied, als Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij zeiden: Komt, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeeėn, en vanwege het heir der Syriėrs; alzo zijn wij te Jeruzalem gebleven.
Amos 9:7
Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israėls? spreekt de HEERE. Heb Ik Israėl niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriėrs uit Kir?
Statenvertaling on line - bijbel en kunst