Vindplaatsen van het woord steden in de apocriefe geschriften (59 verzen):

3 Ezra 2:22
En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft;

3 Ezra 5:37
Doch zij konden hun steden en geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;

4 Ezra 5:25
En uit al die diepten der zee hebt gij u een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt gij u Sion geheiligd.

4 Ezra 15:18
Want vanwege hun hovaardij zullen de steden beroerd worden, de huizen zullen verstoord worden, en de mensen zullen vrezen.

4 Ezra 15:42
En zullen de steden nederwerpen, en de muren, en de bergen, en de heuvelen, en de bomen der bossen, en het gras der velden, en hun vruchten.

4 Ezra 15:57
En uw kinderen zullen van honger vergaan, en gij zult door het zwaard vallen, en uw steden zullen verdelgd worden, en al de uwen zullen in het veld door het zwaard vallen.

4 Ezra 15:62
En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden.

4 Ezra 16:24
En de doden zullen als drek weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen vertroosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden.

4 Ezra 16:48
Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren,

4 Ezra 16:71
Want van plaats tot plaats, en in de omliggende steden zal grote opstand zijn tegen degenen, die God vrezen.

Judith 1:9
En tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,

Judith 1:13
En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.

Judith 2:14
En vernielde alle hoge steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men komt aan de zee.

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 3:5
Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.

Judith 3:8
En bezette de vaste steden, en nam daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.

Judith 4:13
En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden hunner erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.

Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.

Judith 5:21
En zijn gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de tempel huns Gods is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.

Judith 6:6
En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal ontvallen.

Judith 15:8
En de kinderen Israëls wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de vlekken en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte.

Boek der Wijsheid 10:6
Deze toen de goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen hij het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.

Jezus Sirach 28:16
En heeft vaste steden vernield, en huizen der groten omgekeerd.

Jezus Sirach 46:3
Hoe is hij verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok?

Baruch 2:23
Zo zal ik maken, dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude de stem der vreugde, en de stem der blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem der bruid, en het gehele land zal woest worden van inwoners.

Baruch 4:32
Onzalig zijn de steden, welke uw kinderen gediend hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft.

1 Makkabeeën 1:20
En daar vielen vele gewonden, en zij namen in de sterke steden in het land van Egypte, en hij kreeg de roof van Egypte.

1 Makkabeeën 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.

1 Makkabeeën 1:47
En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten des lands;

1 Makkabeeën 1:55
En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad tot stad.

1 Makkabeeën 1:58
En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.

1 Makkabeeën 1:62
Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de steden.

1 Makkabeeën 3:8
Hij doortrok de steden van Juda, en verdelgde uit haar de goddelozen en keerde de toorn Gods van Israël af.

1 Makkabeeën 5:26
En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al deze steden waren sterk en groot;

1 Makkabeeën 5:27
En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.

1 Makkabeeën 5:36
En hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor, en de overige steden van Galaäditis.

1 Makkabeeën 5:68
En Judas week naar Azote, in het land der vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden hunner goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof der steden, en keerde weder naar het land Juda.

1 Makkabeeën 9:50
En hij bouwde sterke steden in Judea, en de sterkte in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en grendels.

1 Makkabeeën 10:71
Nu dan, indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden, want bij mij is de macht der steden.

1 Makkabeeën 10:84
En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met vuur.

1 Makkabeeën 11:2
En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was.

1 Makkabeeën 11:3
En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk tot bezetting.

1 Makkabeeën 11:59
En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.

1 Makkabeeën 14:10
De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat zijn heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste der aarde.

1 Makkabeeën 14:17
En horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;

1 Makkabeeën 14:33
En versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar tevoren de wapenen der vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse mannen tot bezetting.

1 Makkabeeën 15:4
En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, moge bekomen

1 Makkabeeën 15:19
Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.

1 Makkabeeën 15:28
En hij zond aan hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.

1 Makkabeeën 15:30
Nu dan geeft weder over de steden, die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn.

1 Makkabeeën 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

1 Makkabeeën 16:18
Ptolomeüs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.

2 Makkabeeën 3:8
En Heliodorus ving terstond de reis aan, onder de schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië en van Fenicië wilde doorreizen, maar inderdaad om het voornemen des konings te volbrengen.

2 Makkabeeën 4:32
En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen had, heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.

2 Makkabeeën 6:8
En in de naburige Griekse steden, is door bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten, de afgoden opgeofferd.

2 Makkabeeën 8:6
De steden en vlekken, onverwachts overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.

3 Makkabeeën 1:7
En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.

3 Makkabeeën 3:11
En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;

3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.