Vindplaatsen van het woord sterkte in de apocriefe geschriften (63 verzen):
3 Ezra 3:18
En de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken had, en zeide aldus:
3 Ezra 4:1
TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en zeide:
3 Ezra 8:53
Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.
4 Ezra 5:55
En die na ulieden komen, zullen van minder grootte zijn dan gij, als schepselen die nu beginnen oud te worden, en bij wie de sterkte der jeugd nu voorbij is.
4 Ezra 10:30
En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zeide tot mij:
Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.
Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.
Judith 5:15
En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.
Judith 9:7
Breek gij hun geweld met uw kracht, en sla hun sterkte ter neder in uw toorn;
Judith 9:12
En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb.
Judith 9:15
Want uw sterkte is niet in de menigte, noch uw vermogen in de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt een helper der kleinen, een aannemer der zwakken, een beschutter der vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die geen hoop hebben.
Judith 9:19
En maak, dat men onder al uw volk en alle stammen wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter van het geslacht Israëls is dan gij.
Boek der Wijsheid 2:11
Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut bevonden.
Boek der Wijsheid 10:2
En heeft hem getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte gegeven om te heersen over alle dingen.
Boek der Wijsheid 12:16
Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.
Boek der Wijsheid 12:17
Want gij betoont sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die ze kennen.
Boek der Wijsheid 12:18
Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.
Boek der Wijsheid 18:22
En hij overwon de verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaderen opgericht.
Jezus Sirach 5:2
Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.
Jezus Sirach 11:12
Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;
Jezus Sirach 17:3
Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.
Jezus Sirach 19:26
En indien hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij gelegener tijd vindt.
Jezus Sirach 26:20
Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.
Jezus Sirach 31:34
De dronkenschap des onwijzen vermeerdert zijn gramschap tot aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden.
Jezus Sirach 39:32
Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen zijn, en door hun gramschap bevestigt God hun geselen, als de tijd voleindigd is, dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen de gramschap desgenen die ze gemaakt heeft.
Jezus Sirach 40:25
Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des Heren meer dan beide.
Jezus Sirach 41:3
O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.
Jezus Sirach 43:33
Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.
Jezus Sirach 44:7
Rijke mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen.
Jezus Sirach 45:9
En heeft hem omgord met een kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting der sterkte;
Jezus Sirach 46:11
De Here gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden.
Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.
Baruch 3:14
Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen is, en vrede.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:44
En laat beschaamd worden allen die uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden.
1 Makkabeeën 3:35
Dat hij het krijgsvolk zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis van die plaats weg te nemen.
1 Makkabeeën 4:32
Geef hun versaagdheid, en doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling.
1 Makkabeeën 4:61
En zij zetten daar krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.
1 Makkabeeën 5:10
Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:
1 Makkabeeën 5:11
De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd, om ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen, en in te nemen de sterkte, waarin wij gevloden zijn, en Timotheüs voert hun leger aan.
1 Makkabeeën 5:29
En hij vertrok van daar des nachts, en trok alsof hij naar de sterkte wilde gaan.
1 Makkabeeën 5:30
En als de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen om de sterkte in te nemen, en zij bestreden ze.
1 Makkabeeën 5:66
En heeft haar sterkte vernield, en al haar torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken in het land der vreemdelingen, en trok door Samaria.
1 Makkabeeën 6:18
Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;
1 Makkabeeën 6:47
En als zij zagen de sterkte des konings, en de aanval van het krijgsvolk, weken zij van hen af.
1 Makkabeeën 6:61
En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;
1 Makkabeeën 6:62
En de koning ging op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.
1 Makkabeeën 8:1
En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.
1 Makkabeeën 9:50
En hij bouwde sterke steden in Judea, en de sterkte in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en grendels.
1 Makkabeeën 10:11
En hij gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.
1 Makkabeeën 10:12
En de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides had gebouwd, vloden;
1 Makkabeeën 10:19
Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om onze vriend te zijn.
1 Makkabeeën 12:34
Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.
1 Makkabeeën 12:38
En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendelen.
1 Makkabeeën 16:8
En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten naar de sterkte.
1 Makkabeeën 16:15
En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.
2 Makkabeeën 3:26
En daar verschenen voor hem nog twee andere jongelingen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende.
2 Makkabeeën 10:32
En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte, genaamd Gazara, waar Cherea de overste was.
2 Makkabeeën 10:33
Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde, belegerden de sterkte vierentwintig dagen.
2 Makkabeeën 12:19
Dositheüs en Sosipater, zijnde van de oversten dergenen die met Makkabeüs waren, uittrekkende, vernielden van degenen, die van Timotheüs daar gelaten waren in de sterkte, meer dan tienduizend man.
3 Makkabeeën 2:2
O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.
3 Makkabeeën 2:4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.
3 Makkabeeën 3:13
Daar zij nochtans onze sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap hebben, maar hun vijandelijk gemoed jegens ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.
3 Makkabeeën 5:8
Als nu de Joden die tevoren betekende ure ontkomen waren, prezen zij hun heilige God; en zij baden hem weder, die zich lichtelijk laat verzoenen, dat hij de sterkte van zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst