Vindplaatsen van het woord tafel in de apocriefe geschriften (11 verzen):

Jezus Sirach 14:10
Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.

Jezus Sirach 29:30
Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.

Jezus Sirach 31:12
Als gij aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;

Jezus Sirach 40:29
Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.

Esther (apocr.) 14:17
Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:12
Zij nu verachtten dit, omdat zij een heimelijke toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:17
En het geschiedde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luider stem uitriep: Bel gij zijt groot, en geen bedrog is bij u.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:20
En de koning werd toornig, en liet de priesters grijpen, met hun vrouwen, en kinderen, en zij toonden hem de verborgen deuren, waardoor zij ingegaan waren, en verteerd hadden wat op de tafel geweest was.

1 Makkabeeën 1:23
En hij ging met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar des lichts, en alle gereedschap, en de tafel der toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af.

1 Makkabeeën 4:49
En zij maakten nieuwe heilige vaten, en zij brachten in de tempel de kandelaar, en het altaar der brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.

1 Makkabeeën 4:51
En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.