Vindplaatsen van het woord u in de apocriefe geschriften (678 verzen; getoond worden vers 501 t/m 678):
Jezus Sirach 38:21
Begeef uw hart niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde;
Jezus Sirach 38:23
Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.
Jezus Sirach 38:24
Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is.
Jezus Sirach 39:18
En brengt een bloem voort gelijk een lelie; geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.
Jezus Sirach 41:1
O dood, hoe bitter is de gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen.
Jezus Sirach 41:5
Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.
Jezus Sirach 41:11
Wee u, gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.
Jezus Sirach 41:15
Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten gouds.
Jezus Sirach 41:21
Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen;
Jezus Sirach 41:24
Schaamt u voor verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.
Jezus Sirach 41:25
Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.
Jezus Sirach 41:26
Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft.
Jezus Sirach 41:27
Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.
Jezus Sirach 41:28
Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.
Jezus Sirach 41:29
Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken;
Jezus Sirach 42:1
SCHAAM u niet vanwege deze navolgende dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen.
Jezus Sirach 42:3
Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel te geven.
Jezus Sirach 42:4
En schaam u niet, dat gij nauw let op de waag en het gewicht; noch dat gij veel of weinig bezit;
Jezus Sirach 42:9
En schaam u niet dat gij een onverstandige en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge lieden twist;
Jezus Sirach 42:14
Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.
Jezus Sirach 43:33
Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.
Jezus Sirach 48:4
En wie is u gelijk om te roemen!
Jezus Sirach 48:8
Gij, die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, en profeten die na u zouden volgen.
Jezus Sirach 48:11
Zalig zijn zij die u gezien hebben, en die in liefde ontslapen zijn.
Jezus Sirach 51:1
<<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.
Jezus Sirach 51:14
Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden, en u lofzingen met dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest.
Jezus Sirach 51:16
Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal uw naam danken.
Jezus Sirach 51:33
Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld.
Jezus Sirach 51:37
Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.
Jezus Sirach 51:38
Werkt uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.
Baruch 1:10
En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer, en offert op het altaar van de Here onze God.
Baruch 1:14
En gij zult dit boek lezen, hetwelk wij tot u gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk voor te lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.
Baruch 2:11
En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk deze dag uitwijst.
Baruch 2:18
Maar de ziel, die grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen u, Here, de prijs der heerlijkheid en der gerechtigheid geven.
Baruch 3:1
ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept tot u.
Baruch 3:2
Hoor Here, en wees genadig, want wij hebben voor u gezondigd.
Baruch 3:4
Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.
Baruch 3:6
Want gij zijt de Here onze God, en wij zullen u loven, Here.
Baruch 3:7
Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden onzer vaderen, die tegen u gezondigd hebben.
Baruch 4:2
Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting voor het licht derzelve.
Baruch 4:3
Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.
Baruch 4:7
Want gij hebt hem die u gemaakt heeft tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd, en niet God.
Baruch 4:8
Gij hebt de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft.
Baruch 4:9
Want zij heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, en heeft gezegd: Hoort toe, gij naburinnen Sions, want God heeft groot leed over mij gebracht.
Baruch 4:18
Doch die dit kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand uwer vijanden.
Baruch 4:21
Hebt moed, kinderen, roept tot God, en hij zal u verlossen uit het geweld, en uit de hand der vijanden.
Baruch 4:23
Ik heb ulieden uitgezonden met treuren en wenen, maar God zal u mij wedergeven met blijdschap en vrolijkheid in der eeuwigheid.
Baruch 4:24
Want gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien hebben, zo zullen zij haast zien uw verlossing door onze God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.
Baruch 4:25
Gij kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar gij zult haast zijn verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.
Baruch 4:27
Hebt moed, kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft zal uwer gedenken.
Baruch 4:29
Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing.
Baruch 4:30
Heb moed, Jeruzalem, want hij die u genoemd heeft, zal u vertroosten.
Baruch 4:31
Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw val.
Baruch 4:36
Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde die u van God komt.
Baruch 5:1
JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid.
Baruch 5:2
Doe om de rok der gerechtigheid, die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband der heerlijkheid van de eeuwige.
Baruch 5:5
Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de opgang, door het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner weder gedacht heeft.
Baruch 5:6
Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden; maar God brengt die weder tot u in, opgenomen in heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.
Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.
Baruch 6:5
Als gij zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Here.
Baruch 6:6
Want mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.
Esther (apocr.) 13:9
En daar is niemand die tegen u kan zijn, wanneer gij Israël wilt verlossen;
Esther (apocr.) 13:11
En gij zijt een Here van alles, en niemand kan U, die een Here zijt, wederstaan;
Esther (apocr.) 13:15
En ik zal niemand aanbidden dan u, die mijn Here zijt, en ik zal dat niet doen uit hovaardigheid;
Esther (apocr.) 13:18
Verhoor mijn gebed, en zijt uw erfdeel genadig, en wend ons treuren in vreugde, opdat wij leven en uw naam prijzen, Here, en verdelg de mond niet dergenen, die u loven.
Esther (apocr.) 14:4
Here, gij zijt alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan u, en mijn gevaar is voor de hand.
Esther (apocr.) 14:6
Nu hebben wij gezondigd voor u, en gij hebt ons overgegeven in de handen onzer vijanden, omdat wij hun goden hadden geëerd.
Esther (apocr.) 14:9
Om het besluit van uw mond weg te nemen, en uw erve uit te roeien, en de mond toe te stoppen dergenen die u loven, en de heerlijkheid van uw huis en van uw altaar uit te blussen;
Esther (apocr.) 14:12
Gedenk aan ons Here, en maak u bekend in de tijd onzer verdrukking, en sterk mij, o Koning aller volken, en heerser over alle vorsten.
Esther (apocr.) 14:14
Verlos ons door uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan u, Here.
Esther (apocr.) 14:18
En uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in u, o Here, God van Abraham.
Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.
Esther (apocr.) 15:11
En zij zeide tot hem: Ik zag u aan, heer, als een engel Gods, en mijn hart werd beroerd uit vrees uwer heerlijkheid;
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:29
Overmits wij gezondigd en goddeloosheid begaan hebben, toen wij van u afgeweken zijn, en ons in alles hebben bezondigd.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:33
En nu durven wij onze mond niet opendoen, wij zijn een schande en spot geworden voor uw knechten, en voor allen die u dienen.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:35
En neem uw barmhartigheid niet van ons, om Abrahams wil, die door u geliefd is, en om Izaäk uws knechts wil, en om Israël uws heiligen wil;
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:39
Noch plaats om van onze vrucht voor u te offeren, en ge nade te vinden.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:40
Maar neem ons aan, in een verbroken hart, en in een vernederde geest; gelijk als in brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo zij heden onze offerande voor u, en zij volmaakt bij u, want zij zullen niet beschaamd worden, die op u betrouwen.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:41
En nu, wij volgen u na van ganser harte, en vrezen u, en zoeken uw aangezicht.
Susanna (Dan. 13) 1:20
Zie de deuren van de hof zijn gesloten, en niemand ziet ons, en wij zijn met lust tegen u ontstoken, daarom doe onze wil en zijt bij ons.
Susanna (Dan. 13) 1:21
Doch indien niet zo zullen wij tegen u getuigen dat een jong gezel bij u is geweest, en dat gij daarom uw dienstmaagden van u hebt weggezonden.
Susanna (Dan. 13) 1:50
En het ganse volk keerde met haast weder; en de oudsten zeiden tot hem: Kom herwaarts, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, dewijl God u het rechterambt heeft gegeven.
Susanna (Dan. 13) 1:52
Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.
Susanna (Dan. 13) 1:55
Toen zeide Daniël: Zeer wel, gij hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel des Heren zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven.
Susanna (Dan. 13) 1:56
En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zeide tot hem: Gij zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkbeid heeft uw hart verkeerd.
Susanna (Dan. 13) 1:57
Alzo hebt gij de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.
Susanna (Dan. 13) 1:59
Toen zeide Daniël tot hem: Zeer wel, gij hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel Gods, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij ulieden uitroeie.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:5
En de koning sprak tot hem: Dunkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet gij niet hoe veel hij dagelijks eet?
Bel en de draak (Dan. 14) 1:6
Maar Daniël lachte en zeide: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:17
En het geschiedde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luider stem uitriep: Bel gij zijt groot, en geen bedrog is bij u.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:25
Maar gij, heer koning, veroorloof het mij, zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok. En de koning zeide: Ja, ik geef u verlof.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:28
En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons Daniël over; anders zullen wij u doden en uw huis.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:36
En Habakuk riep en zeide: Daniël, Daniël, neem dit middageten, dat u God gezonden heeft.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:37
En Daniël zeide: Gij gedenkt mij dan Here, en verlaat niet degenen die u liefhebben!
Gebed van Manasse 1:6
Maar de barmhartigheid uwer beloften is onmetelijk, en ondoorgrondelijk; want gij, Here, zijt de Allerhoogste, gij zijt lankmoedig, van grote goedheid, en zeer genadig, en het berouwt u over de kinderen der mensen.
Gebed van Manasse 1:7
Gij, Here, die naar de grootte uwer goedheid hebt beloofd, dat het u berouwen zal, en dat gij vergeven zult degenen die tegen u hebben gezondigd, en door de menigte van uw ontfermingen, naar uw besluit, geeft gij de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid.
Gebed van Manasse 1:8
Gij, Here, die een God zijt der rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, welke tegen u niet hebben gezondigd; maar gij hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.
Gebed van Manasse 1:11
Nu buig ik dan de knieën mijns harten, en bid u om genade; ik heb gezondigd, Here, ik heb gezondigd, en beken mijn misdaden.
Gebed van Manasse 1:12
Daarom bid en smeek ik u, vergeef het mij, Here, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen der aarde, want gij zijt God, een God der boetvaardigen.
Gebed van Manasse 1:14
En ik zal u loven al de dagen mijns levens, want u looft ook al de kracht der hemelen, en u komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid.
1 Makkabeeën 2:64
En gij, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.
1 Makkabeeën 2:65
En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.
1 Makkabeeën 2:67
En gij zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult de wraak uws volks uitvoeren.
1 Makkabeeën 2:68
Vergeldt de heidenen de vergelding, en houdt u aan de geboden der wet.
1 Makkabeeën 3:58
En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.
1 Makkabeeën 4:8
Zo zeide Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.
1 Makkabeeën 4:33
Werp hen terneder door het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven met lofzangen.
1 Makkabeeën 5:17
En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.
1 Makkabeeën 5:39
En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.
1 Makkabeeën 8:20
Judas Makkabeüs en zijn broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.
1 Makkabeeën 8:32
Indien zij dan ons weder zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water en te land.
1 Makkabeeën 9:30
Nu dan wij hebben u heden uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste, om onze oorlog te voeren.
1 Makkabeeën 10:19
Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om onze vriend te zijn.
1 Makkabeeën 10:20
En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.
1 Makkabeeën 10:26
Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven zijt in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.
1 Makkabeeën 10:27
En nu blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor hetgeen gij ons doet.
1 Makkabeeën 10:28
Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven.
1 Makkabeeën 10:29
En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de impost van het zout, en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.
1 Makkabeeën 10:30
En van de helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.
1 Makkabeeën 10:54
Laat ons dan nu met elkander vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die uwer waardig zijn.
1 Makkabeeën 10:56
En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven hebt; doch kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, gelijk gij gezegd hebt.
1 Makkabeeën 10:70
Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?
1 Makkabeeën 10:71
Nu dan, indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden, want bij mij is de macht der steden.
1 Makkabeeën 10:72
Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.
1 Makkabeeën 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.
1 Makkabeeën 11:31
Het afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van ulieden, schrijven wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.
1 Makkabeeën 11:41
En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.
1 Makkabeeën 11:56
En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult zijn.
1 Makkabeeën 12:7
Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het afschrift hier onder gesteld bewijst,
1 Makkabeeën 12:10
Zo hebben wij nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap en vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.
1 Makkabeeën 12:17
En wij hebben hun gelast, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broederschap.
1 Makkabeeën 12:23
En wij schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.
1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.
1 Makkabeeën 13:37
De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.
1 Makkabeeën 13:38
Al wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen uwe zijn.
1 Makkabeeën 13:39
Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en de kroongelden die gij schuldig zijt; en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer betalen.
1 Makkabeeën 13:40
En zo er enigen onder u zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven wordene, en laat tussen ons vrede zijn.
1 Makkabeeën 15:5
Nu dan ik bevestig u al de vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.
1 Makkabeeën 15:6
En ik laat u toe, dat gij een eigen munt moogt slaan voor uw land.
1 Makkabeeën 15:8
En al wat gij de koning schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.
1 Makkabeeën 15:9
En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken met grote heerlijkheid, zodat uw heerlijkheid openbaar zal worden in alle landen.
1 Makkabeeën 15:21
Indien er dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.
1 Makkabeeën 15:31
Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog andere vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.
2 Makkabeeën 1:3
En geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige ziel.
2 Makkabeeën 1:4
En opene uw hart in zijn wet, en in zijn geboden, en geve u vrede.
2 Makkabeeën 1:5
En verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd.
2 Makkabeeën 1:6
Nu zijn wij ook hier voor u biddende.
2 Makkabeeën 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.
2 Makkabeeën 1:18
Wij dan op de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden, hebben behoorlijk geacht u dit bekend te maken, opdat gij het ook houdt als het feest der loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd hebbende, slachtoffer geofferd heeft.
2 Makkabeeën 2:15
Indien gij ze nodig hebt, zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.
2 Makkabeeën 2:16
Dewijl wij dan zullen houden het feest der reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.
2 Makkabeeën 3:33
En als de hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde jongelingen weder verschenen aan Heliodorus, bekleed zijnde met dezelfde kleding, en zeiden daar staande: Dankt de hogepriester Onias grotelijks, want om zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.
2 Makkabeeën 7:14
En als hij sterven zou, sprak hij aldus: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van hem weder opgewekt te worden, doch voor u zal geen opstanding ten leven zijn.
2 Makkabeeën 7:17
Maar gij, verwacht en aanschouw Gods grote kracht, hoe hij u en uw zaad zal pijnigen.
2 Makkabeeën 7:22
Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam zijt voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;
2 Makkabeeën 7:23
Daarom de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.
2 Makkabeeën 7:27
En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,
2 Makkabeeën 7:28
Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is.
2 Makkabeeën 7:29
Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat gij uwer broederen waardig zijt, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid u weder mag verkrijgen met uw broeders.
2 Makkabeeën 7:34
Maar gij goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop, om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.
2 Makkabeeën 9:25
Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder is geschreven.
2 Makkabeeën 9:26
Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.
2 Makkabeeën 9:27
Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende, u alleszins billijk en vriendelijk zal gelieven.
2 Makkabeeën 11:17
Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen hetgeen daarin te kennen gegeven wordt.
2 Makkabeeën 11:32
Ik heb ook Menelaüs aan u gezonden, om u te vertroosten.
2 Makkabeeën 11:35
Hetgeen Lysias, de bloedvriend des konings, u toegestaan heeft, dat vinden wij ook goed.
2 Makkabeeën 11:36
Doch aangaande hetgeen hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt terstond iemand die daarover mag handelen, opdat wij mogen verklaring doen van hetgeen u dienstig is. Want wij trekken naar Antiochië.
2 Makkabeeën 11:37
Daarom spoedt u, en zendt enigen, opdat wij ook mogen weten hoe gij gezind zijt.
2 Makkabeeën 15:5
En de ander zeide: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en des konings diensten te volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren.
3 Makkabeeën 2:7
Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde met wagens en menigte der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen hebben.
3 Makkabeeën 2:8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.
3 Makkabeeën 2:9
En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij beloofd, indien wij ons van u afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.
3 Makkabeeën 2:11
Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.
3 Makkabeeën 6:8
En indien ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de hand dezer vijanden, en gij zelf, Here, verderf ons met de dood, zoals het u believen zal.
3 Makkabeeën 6:11
Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij verraders waren, worden.
3 Makkabeeën 6:13
U bidt de ganse menigte der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van ons niet hebt afgewend;
3 Makkabeeën 6:25
Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.
[1 - 500] 501 - 678
Statenvertaling on line - bijbel en kunst