Vindplaatsen van het woord u in de apocriefe geschriften (678 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):

3 Ezra 1:26
En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?

3 Ezra 1:27
Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Here.

3 Ezra 2:5
Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.

3 Ezra 2:18
Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.

3 Ezra 2:21
Maar de Heer koning zulks te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten, onderzoek gedaan worde.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.

3 Ezra 4:22
Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.

3 Ezra 4:42
Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden.

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 4:59
Van u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.

3 Ezra 4:60
Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.

3 Ezra 5:68
En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.

3 Ezra 5:71
Het komt ons en u niet toe tezamen het huis te bouwen voor de Here onze God:

3 Ezra 6:4
Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?

3 Ezra 6:11
Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?

3 Ezra 6:12
En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.

3 Ezra 6:21
Nu dan, indien het u goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van Cyrus;

3 Ezra 8:11
Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem.

3 Ezra 8:18
En de heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,

3 Ezra 8:91
Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: want wij kunnen om dezer wil niet langer voor u bestaan.

3 Ezra 8:95
Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.

3 Ezra 8:96
Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.

3 Ezra 9:9
En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.

3 Ezra 9:53
Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.

4 Ezra 1:13
Ik heb u door de zee geleid, en in den beginne heb ik u vaste straten gemaakt. Mozes heb ik u tot een leidsman gegeven, en Aäron tot een priester.

4 Ezra 1:14
Ik heb u licht gegeven door een vuurkolom, en heb grote wonderen onder u gedaan; maar gij hebt mij vergeten, spreekt de Here.

4 Ezra 1:15
Dit zegt de almachtige Here: De kwakkel is u tot een teken geweest; het leger heb ik u gegeven tot een bescherming, en daar hebt gij gemurmureerd;

4 Ezra 1:17
Waar zijn de weldaden die ik u bewezen heb? Hebt gij niet in de woestijn, toen u hongerde, tot mij geroepen, zeggende:

4 Ezra 1:19
Toen had ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot spijs gegeven; gij hebt der engelen brood gegeten.

4 Ezra 1:20
Heb ik niet, als u dorstte, de rots opengehouwen? en de wateren zijn daaruit gevloten tot verzadiging; voor de hitte heb ik u met bladeren der bomen gedekt.

4 Ezra 1:21
Ik heb onder u vette landen uitgedeeld; de Kanaänieten, Feresieten, en Filistijn heb ik van voor uw aanschijn uitgedrevan. Wat zou ik nog meer doen? spreekt de Here.

4 Ezra 1:23
Zo heb ik u geen vuur om uw lastering gegeven, maar ik legde hout in het water, dat u het water zoet maakte.

4 Ezra 1:24
Wat zal ik u doen Jakob? Gij hebt niet willen gehoorzamen, Juda. Ik zal mij tot andere volken keren, en zal hun mijn naam geven, opdat zij mijn inzettingen houden.

4 Ezra 1:25
Dewijl gijlieden mij verlaten hebt, zo zal ik u ook verlaten; als gij genade van mij zult begeren, zo zal ik u niet genadig zijn.

4 Ezra 1:26
Wanneer gij mij zult aanroepen, zo zal ik u niet verhoren, want gij hebt uw handen met bloed bevlekt, en uw voeten zijn snel om doodslagen te begaan.

4 Ezra 1:27
Gij hebt mij niet verlaten, maar u zelf, spreekt de Here.

4 Ezra 1:28
Dit zegt de almachtige Here: Heb ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochteren, en als een voedster haar kleine kinderen?

4 Ezra 1:29
Dat gij mij tot een volk zoudt zijn, en ik zou u tot een God zijn; en dat gij mij tot kinderen zoudt zijn, en ik zou u tot een vader zijn?

4 Ezra 1:30
Ik heb u zo verzameld, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugelen verzamelt. Nu dan, wat zal ik u doen? Ik zal u van mijn aangezicht verwerpen.

4 Ezra 1:31
Wanneer gij mij offeranden zult voortbrengen, zo zal ik mijn aangezicht van u keren; want uw feestdagen, en nieuwe maanden, en besnijdingen heb ik verworpen.

4 Ezra 1:32
Ik heb mijn knechten de profeten tot u gezonden die gij genomen en gedood hebt, en hun lichamen hebt gij verscheurd; welker bloed ik van u zal eisen, spreekt de Here.

4 Ezra 1:33
Dit zegt de almachtige Here: Uw huis is woest, ik zal u verwerpen, gelijk de wind de stoppelen.

4 Ezra 2:3
Met vreugde heb ik u opgevoed, en ik heb u met rouw en droefheid verloren: want gij hebt gezondigd voor de Here uw God, en hebt kwaad voor hem gedaan.

4 Ezra 2:4
Nu dan, wat zal ik u doen? ik ben een weduwe en verlatene: Gaat heen kinderen! en verzoekt barmhartigheid van de Here.

4 Ezra 2:5
Doch u, o Vader, roep ik tot getuige over de moeder dezer kinderen, die mijn verbond niet hebben willen houden:

4 Ezra 2:8
Wee u Assur! die de ongerechtigen bij u verbergt; gij boos volk, gedenk wat ik Sodom en Gomorra gedaan heb,

4 Ezra 2:13
Gaat henen, zo zult gij het ontvangen; bidt voor u, dat het maar weinige dagen vertoeve; het koninkrijk is nu voor u bereid; waakt!

4 Ezra 2:15
Gij moeder! omhels uw kinderen; voed die op met blijdschap als een duif, bevestig hun voeten, want ik heb u verkoren, spreekt de Here.

4 Ezra 2:17
En vrees niet, gij moeder der kinderen! want ik heb u verkoren, spreekt de Here.

4 Ezra 2:18
Ik zal u mijn knechten Jesaja en Jeremia tot een hulp zenden: naar wier raad ik voor u geheiligd en bereid heb twaalf bomen met verscheidene vruchten beladen;

4 Ezra 2:23
Waar gij de doden vindt, teken ze, en begraaf ze: zo zal ik u de eerste plaats geven in mijn verrijzenis:

4 Ezra 2:26
Van de knechten, die ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want ik zal hen van uw getal eisen.

4 Ezra 2:27
En bekommer u niet, want als de dag van de angst en de nood komt, zo zullen anderen wenen en droevig zijn: maar gij zult vrolijk zijn en overvloed hebben.

4 Ezra 2:28
De heidenen zullen jaloers zijn, maar zij zullen tegen u niet vermogen, spreekt de Here.

4 Ezra 2:29
Mijn handen zullen u bedekken, dat uw kinderen de hel niet zien.

4 Ezra 2:30
Vervrolijk u, gij moeder met uw kinderen, want ik zal u verlossen, spreekt de Here:

4 Ezra 2:34
Daarom zeg ik tot u, gij heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde der wereld zal komen.

4 Ezra 2:35
Zijt bereid voor de beloning des koninkrijks, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid.

4 Ezra 2:37
Neemt de gave aan, die u aangeprezen wordt, en verheugt u, dankzeggende degene die u tot het hemels koninkrijk heeft geroepen.

4 Ezra 2:40
Sion, neem uw getal tot u, en besluit in u uw in het wit gekleden, die de wet des Heren vervuld hebben.

4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.

4 Ezra 3:8
En een ieder volk wandelde naar zijn wil, en deed wonderlijke dingen voor u, verachtte uw geboden.

4 Ezra 3:13
En als zij nu ongerechtigheid voor u bedreven, zo hebt gij u een man uit dezen verkoren, wiens naam was Abraham.

4 Ezra 3:16
Jakob nu hebt gij u verkoren, maar Ezau hebt gij van u afgezonderd, en Jakob is geworden tot een grote menigte.

4 Ezra 3:23
Alzo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en gij verwektet u een knecht, met name David.

4 Ezra 3:24
En gij hebt hem gezegd, dat hij uw naam een stad zou bouwen, en dat men u daarin wierook en offeranden zou offeren.

4 Ezra 3:25
En dat is vele jaren geschied, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen u;

4 Ezra 3:32
Is er dan een ander volk dat u kent, dan Israël? of wat geslacht heeft uw verbonden geloofd, gelijk Jakob?

4 Ezra 3:35
Of wanneer hebben die op aarde wonen voor u niet gezondigd? of wat volk heeft uw geboden zo gehouden?

4 Ezra 4:3
En ik zeide: Ja mijn Here. En hij antwoordde mij en sprak: Ik ben tot u gezonden om drie wegen aan te wijzen, en om drie gelijkenissen u voor te stellen,

4 Ezra 4:4
Van welke, zo gij mij een kunt verklaren, zo zal ik u ook de weg tonen, die gij begeert te zien, en ik zal u leren, vanwaar dat boze hart is.

4 Ezra 4:7
Toen zeide hij tot mij: Indien ik u vroeg en zeide: Hoeveel woningen zijn er in het hart der zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin des afgronds? of hoeveel aderen zijn er boven het firmament? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs?

4 Ezra 4:10
En hij zeide tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgewassen, kunt gij niet kennen,

4 Ezra 4:20
En hij antwoordde mij en zeide: Gij hebt wèl geoordeeld, doch waarom hebt gij ook niet geoordeeld voor u zelf?

4 Ezra 4:22
Toen antwoordde ik, en zeide: Ik bid u Here, dat mij de zin gegeven worde om te verstaan.

4 Ezra 4:26
Toen antwoordde hij mij, en zeide: Indien gij veel onderzoekt, zo zult gij u dikwijls verwonderen, want de tijd dezer wereld loopt zeer haastig heen,

4 Ezra 4:28
Doch waarvan gij mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen.

4 Ezra 4:31
Nu overweegt gij bij u zelf, wat een grote vrucht der goddeloosheid het graan des kwaden zaads voortgebracht heeft.

4 Ezra 4:34
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Haast u niet om over de Allerhoogste te zijn; want gij haast u tevergeefs om over hem te zijn, en gij gaat u veel te buiten.

4 Ezra 4:36
En Jeremiël de archangel antwoordde daarop, en zeide: Als dan, wanneer het getal der zaden onder u zal vervuld zijn; want hij heeft de wereld gewogen in een balans,

4 Ezra 4:43
Van het begin dan wordt u getoond, hetgeen gij begerig zijt te zien.

4 Ezra 4:47
En hij zeide tot mij: Sta aan de rechterzijde, en ik zal u de verklaring daarvan door een gelijkenis voorstellen.

4 Ezra 4:50
En hij zeide tot mij: Denk bij u zelf, gelijk de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, doch de druppelen en de rook zijn nog overgebleven.

4 Ezra 4:52
Toen antwoordde hij mij en zeide: Van de tekenen waarvan gij mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.

4 Ezra 5:4
Indien nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult gij na de derde bazuin zien, dat de zon des nachts haastig zal schijnen, en de maan driemaal in de dag.

4 Ezra 5:11
En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Neen.

4 Ezra 5:13
Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo gij weder bidt en weent gelijk als nu, en zo gij zeven dagen vast, zo zult gij weder grotere horen dan deze.

4 Ezra 5:17
Waar zijt gij geweest, en waarom is uw gelaat zo droevig? Weet gij niet dat Israël u bevolen is in het land zijner gevangenis?

4 Ezra 5:24
En uit al de landen des aardbodems hebt gij u een groef verkoren, en uit alle bloemen des aardbodems hebt gij u een lelie verkoren;

4 Ezra 5:25
En uit al die diepten der zee hebt gij u een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt gij u Sion geheiligd.

4 Ezra 5:26
En uit alle geschapen gevogelte hebt gij u een duif genoemd, en uit al het geschapen vee hebt gij u een lammetje voorzien,

4 Ezra 5:27
En uit alle vermenigvuldigde volken hebt gij u een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin gij lust hadt.

4 Ezra 5:32
En hij zeide tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen.

4 Ezra 5:37
Open mij de binnenkameren die gesloten zijn, en breng mij te voorschijn de winden, die daarin besloten zijn: toon mij het beeld van de stem; en dan zal ik u tonen de arbeid waarnaar gij vraagt om die te zien.

4 Ezra 5:50
En ik vroeg en zeide: Dewijl gij mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan gij mij gezegd hebt, is die nog jong; of genaakt zij nu de ouderdom?

4 Ezra 5:51
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen;

4 Ezra 5:52
Want gij zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die gij gebaard hebt, nu niet gelijk degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?

4 Ezra 5:53
En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, welke in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd des ouderdoms geboren worden, als de baarmoeder afneemt.

4 Ezra 5:56
En ik zeide: Ik bid u Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, zo toon uw knecht door wie gij uw schepsel bezoekt.

4 Ezra 6:12
Zo bid ik u, dat gij uw dienstknecht toont het einde uwer tekenen, waarvan gij mij een deel de voorgaande nacht getoond hebt.

4 Ezra 6:25
En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld.

4 Ezra 6:30
En hij sprak tot mij: Ik ben gekomen om u te tonen de tijd van de toekomende nacht.

4 Ezra 6:31
Indien gij dan weder bidt, en weder zeven dagen vast, zo zal ik u weder grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb.

4 Ezra 6:33
En daarom heeft hij mij gezonden, om dit alles aan te tonen, en u te zeggen: Heb goede moed en vrees niet,

4 Ezra 6:34
En overhaast u niet, om de voorgaande tijden ijdele dingen te bedenken, en haast u niet om van de laatste tijden achterhaald te worden.

4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.

4 Ezra 6:42
De derde dag nu hebt gij de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel der aarde, doch zes delen hebt gij droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor u zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.

4 Ezra 6:53
Op de zesde dag geboodt gij de aarde, dat zij u zou voortbrengen het grote en kleine vee, en de kruipende gedierten.

4 Ezra 6:55
Dit alles nu heb ik, Here! voor u gesproken, dewijl gij om onzentwil de wereld geschapen hebt.

4 Ezra 7:2
En hij zeide tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken.

4 Ezra 7:26
Ziet, de tijd zal komen, en het zal geschieden, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is.

4 Ezra 7:48
O Adam, wat hebt gij gedaan? want zo gij gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.

4 Ezra 7:59
Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zeide: Verkiest u het leven, opdat gij leeft.

4 Ezra 8:2
Doch, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof gij het aardrijk vroegt, en het u zou zeggen, dat het zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden vat gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand der tegenwoordige wereld.

4 Ezra 8:5
Want gij zijt overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijds gegeven, dan alleen dit leven.

4 Ezra 8:19
Daarom hoor mijn stem, en versta mijn reden, en ik zal voor u spreken.

4 Ezra 8:26
En zie niet aan de misdaden uws volks, maar degenen, die u in waarheid dienen.

4 Ezra 8:28
En gedenk niet aan degenen, die vals voor u hebben gewandeld, maar aan degenen die naar uw wil uw vreze bekend hebben.

4 Ezra 8:30
En vertoorn u niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, welke altijd op uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen.

4 Ezra 8:32
Want zo gij begerig zijt u onzer te ontfermen, dan zult gij barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken der gerechtigheid hebben.

4 Ezra 8:34
Maar wat is de mens, dat gij u over hem zoudt vertoornen, of het verderfelijk geslacht, dat gij daartegen zo verbitterd zoudt zijn?

4 Ezra 8:35
Want in der waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die u belijden, die niet misdaan heeft.

4 Ezra 8:36
Want daarin zal uw gerechtigheid en uw goedheid verkondigd worden, Here, wanneer gij u zult ontfermen over degenen, die het wezen der goede werken niet hebben.

4 Ezra 8:45
En vertoorn u niet over ons, maar spaar uw volk, en ontferm u over uw erfdeel; want gij ontfermt u over uw schepsel.

4 Ezra 8:47
Want u ontbreekt nog veel, dat gij mijn schepsel zoudt liefhebben meer dan ik: doch ik ben u en hetzelve dikmaals genaderd, maar de onrechtvaardige nooit.

4 Ezra 8:49
Omdat gij u vernederd hebt, gelijk het u betaamt, en hebt u zelf niet waardig geoordeeld, dat gij onder de rechtvaardigen zeer zoudt verheerlijkt worden.

4 Ezra 8:51
Maar gij, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn.

4 Ezra 8:53
De wortel des kwaads is ver van ulieden verzegeld, de zwakheid en mot is van voor u verborgen, en de verderfenis is naar de hel gevlucht in vergetelheid.

4 Ezra 8:62
Hetwelk ik niet allen vertoon, maar u, en andere weinigen, die u gelijk zijn. En ik antwoordde, en zeide:

4 Ezra 9:4
Dan zult gij verstaan, dat de Allerhoogste hiervan gesproken heeft, van de dagen aan, die voor u van den beginne geweest zijn.

4 Ezra 9:25
En bid de Allerhoogste zonder ophouden, zo zal ik komen en met u spreken.

4 Ezra 9:31
Want ziet ik zaai mijn wet in u, en zij zal in u vrucht voortbrengen, en gij zult daarin verheerlijkt worden in eeuwigheid.

4 Ezra 9:42
En ik zeide tot haar: Wat is u overkomen? zeg het mij toch.

4 Ezra 10:9
Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar wassen.

4 Ezra 10:14
Zo zeg ik u, gelijk gij met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van den beginne gebouwd heeft.

4 Ezra 10:15
Nu dan behoud voor uzelf uw droefheid, en draag kloekmoedig het ongeval dat u overkomen is.

4 Ezra 10:20
Doe zo niet als gij zegt, maar volg de raad, die u gegeven wordt, want wat zijn er al ongevallen Sions! Troost u dan om de bedroefdheid van Jeruzalem.

4 Ezra 10:24
Gij dan doe uw grote droefheid van u, en leg de veelheid uwer smarten af, opdat de sterke God u genadig zij, en de Allerhoogste zal u tot een rust geven het rusten van uw arbeid.

4 Ezra 10:31
Wat is u, en waarom is uw verstand ontroerd, en het gevoelen uws harten, en waarom wordt gij ontroerd?

4 Ezra 10:33
En hij zeide tot mij: Sta als een man, en ik zal u onderrichten. En ik zeide:

4 Ezra 10:37
Nu dan, zo bid ik u, dat gij uw knecht toont wat deze verrukking van zinnen is. En hij antwoordde mij, en zeide:

4 Ezra 10:38
Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en ik zal u zeggen de dingen waarvoor gij vreest, want de Allerhoogste heeft u vele verborgenheden geopenbaard.

4 Ezra 10:40
Dit is dan de betekenis van het gezicht, dat u een weinig tevoren verschenen is:

4 Ezra 10:42
En nu ziet gij de gestalte der vrouw niet meer; maar het heeft u geschenen, dat een stad gebouwd werd.

4 Ezra 10:43
En dat zij u van het ongeval haars zoons een verhaal gedaan heeft, is dit de verklaring:

4 Ezra 10:44
Deze vrouw, die gij gezien hebt is Sion, welke gij ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.

4 Ezra 10:45
En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offerande in dezelve was geofferd.

4 Ezra 10:47
En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem.

4 Ezra 10:48
En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en nedergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen.

4 Ezra 10:49
En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.

4 Ezra 10:50
En nu ziet de Allerhoogste, dat gij van harte bedroefd zijt, en omdat gij van ganser harte bekommerd zijt over haar, zo heeft hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel.

4 Ezra 10:51
Want daarom heb ik u gezegd, dat gij zoudt in een veld blijven, waar geen huis was gebouwd.

4 Ezra 10:52
Want ik wist, dat de Allerhoogste u dit zou beginnen te vertonen;

4 Ezra 10:53
Daarom heb ik u gezegd, dat gij in een veld zoudt komen, waar geen fundament van enig gebouw was.

4 Ezra 10:59
En de Allerhoogste zal u die gezichten der hoogste dingen tonen, welke de Allerhoogste die doen zal, die op aarde in de laatste dagen wonen.

4 Ezra 11:16
Hoort gij, die zo lange tijd het aardrijk ingehouden hebt, dit verkondig ik u, eer gij begint te verdwijnen;

4 Ezra 11:17
Niemand zal het na u zo lange tijd, als de uwe is, houden, ja niet de helft daarvan.

4 Ezra 11:36
En ik hoorde een stem die tot mij zeide: Zie tegenover u, en merk op hetgeen gij ziet.

4 Ezra 11:38
Hoor gij, ik zal tot u spreken, en de Allerhoogste zal tot u zeggen:

4 Ezra 11:42
Want gij hebt de zachtmoedige verdrukt, en die in rust waren beledigd, en gij hebt de leugen liefgehad, en hebt de woningen afgebroken dergenen, die vruchten brachten, en hebt de muren ternedergeworpen dergenen, die u niet beschadigen.

4 Ezra 12:7
En ik zeide: O heersende Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, en indien ik gerechtvaardigd ben bij u voor vele anderen, en indien mijn gebed waarlijk voor uw aangezicht opgekomen is,

4 Ezra 12:12
Maar het is hem niet verklaard, doch nu verklaar ik het u.

4 Ezra 12:34
Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.

4 Ezra 12:39
Maar verbeid gij hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond worde hetgeen de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen.

4 Ezra 12:41
Wat hebben wij u misdaan, of wat onrecht hebben wij u gedaan, dat gij ons verlaat, en aan deze plaats blijft zitten?

4 Ezra 12:48
En ik heb ulieden niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering uws heiligdoms.

4 Ezra 12:49
En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen.

4 Ezra 13:21
Ik zal u ook de verklaring van dit gezicht zeggen, en zal u openbaren hetgeen waarvan gij gesproken hebt.

4 Ezra 13:32
En als deze dingen geschieden, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die gij als een man hebt zien opkomen.

4 Ezra 13:54
Want gij hebt uw eigen wet verlaten, en hebt u omtrent mijn wet bezig gehouden, en hebt die gezocht.

4 Ezra 13:56
En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren.

4 Ezra 14:7
En nu zeg ik u:

4 Ezra 14:14
En doe van u weg de strefelijke gedachten; werp van u de menselijke lasten, en trek uit de zwakke natuur, en stel aan de ene zijde de raadslagen die u allerbezwaarlijkst zijn, en haast u om uit deze tijden te verhuizen.

4 Ezra 14:18
En ik antwoordde, en zeide: Laat het voor u aangenaam zijn, Here.

4 Ezra 14:21
Overmits uw wet verbrand is, en daarom weet niemand de dingen die door u gedaan zijn, noch de werken die geschieden zullen.

4 Ezra 14:22
Indien ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van den beginne in de wereld geschied is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.

4 Ezra 14:23
En hij antwoordde mij en zeide: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken.

4 Ezra 14:24
Maar gij, bereid u veel busbomen tafelkens, en neem met u Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus, en Asiël, deze vijf, welke bereid zijn om snel te schrijven;

4 Ezra 14:38
En mij geschiedde des anderen daags, dat een stem mij riep, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink hetgeen ik u te drinken zal geven.

4 Ezra 15:3
En vrees niet voor de raadslagen tegen u en bekommert u niet over de ongelovigheid der tegensprekers.

4 Ezra 15:27
Want nu zijn de ongevallen over de aardbodem gekomen, en gij zult in dezelve blijven. Want God zal u niet verlossen, omdat gij tegen hem zondigt.

4 Ezra 15:47
Wee u, gij ellendige, overmits gij u haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochteren versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar boelen, die met u altijd begeerd hebben te hoereren.

4 Ezra 15:49
Ik zal ongeval over u brengen, weduwschap, armoede, en honger, en zwaard, en pest, opdat uw huizen verwoest worden door het geweld, en de dood,

4 Ezra 15:50
En de heerlijkheid uwer kracht zal als een bloem verdorren, wanneer de hitte zal opgaan, die over u zal gebracht worden.

4 Ezra 15:51
Gij zult verzwakt worden als een arme deerne, die geslagen en getuchtigd is door de vrouwen, zodat de machtigen, en de boelen, u niet zullen kunnen opnemen.

4 Ezra 15:52
Zoude ik ook zo tegen u jaloers zijn? spreekt de Here.

4 Ezra 15:56
Gelijk gij mijn uitverkorenen zult doen, spreekt de Here, alzo zal de Here u doen, en zal u ten ongeval overgeven.

4 Ezra 15:59
O ongelukkigen, gij zult over de zee wijken, en u zal daar weder ongeval ontmoeten.

4 Ezra 15:61
En als gij ternedergeworpen zijt, zo zult gij hun zijn voor stoppelen, en zij zullen u zijn tot vuur.

4 Ezra 15:62
En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden.

4 Ezra 16:1
WEE u Babylon en Azië! wee u Egypte en Syrië!

4 Ezra 16:3
Een zwaard is over u gezonden, en wie is er die het zal afkeren?

4 Ezra 16:4
Een vuur is over u aangestoken, en wie is er die het zal blussen?

4 Ezra 16:5
Veel ongeval is over u gezonden, en wie is er die het zal afweren?

4 Ezra 16:41
Hoort het woord, mijn volk, bereidt u ten strijd, en zijt in het ongeval zo, als de vreemdelingen der aarde.

4 Ezra 16:53
Want nog een weinig tijds is het, en de ongerechtigheid zal van de aarde weggenomen worden en de gerechtigheid zal over u heersen.

4 Ezra 16:65
Daarom dat God al uw werken ernstig heeft doorgrond, en zal u allen te voorschijn brengen.

4 Ezra 16:68
Ziet, God is de rechter, vreest hem; laat af van uw zonden, en vergeet uw ongerechtigheden eeuwig te bedrijven, zo zal God u uitleiden, en van alle ongeval bevrijden.

4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.

4 Ezra 16:75
Hoort, mijn geliefden, spreekt de Here: ziet, de dagen der verdrukking zijn nabij, en ik zal u daarvan verlossen.

4 Ezra 16:77
En gij die mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Here, ziet toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen.

Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.

Tobias (Tobit) 2:15
En ik werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij u is.

Tobias (Tobit) 3:3
Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden mijner vaderen, die tegen u gezondigd hebben.

Tobias (Tobit) 3:5
En nu Here uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen zonden, overmits wij uw geboden niet hebben gedaan, want wij hebben niet oprechtelijk voor u gewandeld.

Tobias (Tobit) 3:6
En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.

Tobias (Tobit) 3:11
Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 3:14
Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid. Dat u al uw werken prijzen in der eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 3:15
En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.

Tobias (Tobit) 3:22
En indien het u niet goeddunkt mij te doden,

Tobias (Tobit) 4:7
Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.

Tobias (Tobit) 4:13
Kind, wacht u van alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, dewijl wij kinderen der profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaderen van ouds af; gedenk, kind, dat deze allen vrouwen genomen hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.

Tobias (Tobit) 4:14
En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder des hongers.

Tobias (Tobit) 4:15
En laat het loon van geen mens, die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten, maar geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal u weergegeven worden.

Tobias (Tobit) 4:16
Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg.

Tobias (Tobit) 4:21
En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk is voor hem.

Tobias (Tobit) 5:4
Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld.

Tobias (Tobit) 5:9
En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder geherbergd.

Tobias (Tobit) 5:11
En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.

Tobias (Tobit) 5:21
Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.

Tobias (Tobit) 5:23
En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.

Tobias (Tobit) 6:12
Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.

Tobias (Tobit) 6:13
Want u komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.

Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

Tobias (Tobit) 6:17
En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt nemen uit uw geslacht?

Tobias (Tobit) 6:19
Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult roken.

Tobias (Tobit) 6:21
Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.

Tobias (Tobit) 6:22
En vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.

Tobias (Tobit) 7:10
En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen.

Tobias (Tobit) 7:11
Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.

Tobias (Tobit) 7:12
En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.

Tobias (Tobit) 7:15
En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.

Tobias (Tobit) 7:20
En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde voor deze uw droefheid, heb goede moed, dochter.

Tobias (Tobit) 8:5
En Tobias begon te zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid, u moeten de hemelen loven, en al uw schepselen.

Tobias (Tobit) 8:14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 8:18
En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,

Tobias (Tobit) 9:3
Neem met u een jongen, en twee kemels, en trek naar Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede tot de bruiloft, dewijl Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.

Tobias (Tobit) 10:5
En zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch waart het licht van mijn ogen.

Tobias (Tobit) 10:6
En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.

Tobias (Tobit) 10:11
En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.

Tobias (Tobit) 10:12
En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.

Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.

Tobias (Tobit) 11:8
Strijk gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.

Tobias (Tobit) 11:9
En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

Tobias (Tobit) 11:14
En geloofd zijn al uw heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 12:1
EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.

Tobias (Tobit) 12:3
Want hij heeft mij u gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks genezen; en de oude man zeide: Hem zal recht geschieden.

Tobias (Tobit) 12:7
Toen riep hij hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn aller levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love en zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.

Tobias (Tobit) 12:13
En wanneer gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.

Tobias (Tobit) 12:14
En nu heeft mij God gezonden om u te genezen, en uw schoondochter Sara.

Tobias (Tobit) 12:17
Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede zal u zijn, maar looft God.

Tobias (Tobit) 12:19
Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.

Tobias (Tobit) 13:4
Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;

Tobias (Tobit) 13:7
Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid voor zijn aanschijn; wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees?

Tobias (Tobit) 13:10
Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen.

Tobias (Tobit) 13:11
Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd worden;

Tobias (Tobit) 13:12
En hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten der wereld.

Tobias (Tobit) 13:13
Vele volken zullen van verre komen tot de naam Gods, des Heren, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning des hemels. Alle geslachten na elkander zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.

Tobias (Tobit) 13:14
Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 13:15
Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen der rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen loven.

Tobias (Tobit) 13:16
O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in der eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Tobias (Tobit) 14:9
En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen zullen zeker geschieden, die de profeet Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief, en zijt rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.

Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

Judith 2:6
Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.

Judith 3:2
Ziet, wij zijn knechten des groten konings Nabuchodonosors, en liggen hier open voor u.

Judith 3:3
Doe met ons, gelijk het u behaagt.

Judith 3:4
Ziet, al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en al ons klein en groot vee, en al de stallen onzer woningen liggen open voor u, doe daarmee gelijk het u behaagt.

Judith 5:5
En Achior, de overste van al de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond uws knechts gaan.

Judith 6:5
En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.

Judith 6:6
En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal ontvallen.

Judith 6:15
Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die u geheiligd zijn.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 7:15
En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.

Judith 7:17
Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden op de dag van heden.

Judith 8:11
En nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen der mensen.

Judith 8:29
Doch gijlieden zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht zijn.

Judith 8:30
En Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden weder uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde krijgsordeningen.

Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.

Judith 9:5
Want al uw wegen zijn bereid, en uw oordeel is u tevoren bekend.

Judith 10:8
En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,

Judith 10:12
En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden.

Judith 10:15
En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.

Judith 11:4
En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En indien gij de woorden uwer dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.

Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.

Judith 11:7
En nu wat aangaat de rede, die Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, dewijl zij waarachtig is.

Judith 11:12
En zij hebben enigen naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven worden, om vernield te worden op die dag.

Judith 11:13
Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen.

Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.

Judith 11:15
En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat gij komt voor Jeruzalem.

Judith 11:16
En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;

Judith 11:17
Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder te boodschappen.

Judith 11:20
En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden.

Judith 12:3
En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand van uw geslacht onder ons.

Judith 12:10
En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.

Judith 13:24
En geloofd zij de Here God, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die u geleid heeft tot verwonding des hoofds van de overste onzer vijanden.

Judith 13:25
Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.

Judith 14:2
En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen zijt, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.

Judith 16:17
Dat al uw schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die uw stem zal wederstaan.

Judith 16:19
Maar gij zult genadig zijn degenen die u vrezen, want alle offerande ten goeden reuk, is een klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de Here vreest is altijd groot.

Boek der Wijsheid 1:12
Staat niet naar de dood door dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over u door werken uwer handen.

Boek der Wijsheid 6:2
Laat dit tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, en u verhovaardigt over de scharen der volken.

Boek der Wijsheid 6:3
Want de heerschappij is u door de Here gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal.

Boek der Wijsheid 6:5
Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.

Boek der Wijsheid 6:22
Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte naarstig naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.

Boek der Wijsheid 6:25
Laat u dan onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.

Boek der Wijsheid 9:2
En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,

Boek der Wijsheid 9:6
Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.

Boek der Wijsheid 9:9
Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.

Boek der Wijsheid 9:10
Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.

Boek der Wijsheid 9:18
En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is.

Boek der Wijsheid 11:4
Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen.

Boek der Wijsheid 11:22
Want groot vermogen is altijd bij u, en wie kan de kracht van uw arm tegenstaan?

Boek der Wijsheid 11:23
Want de ganse wereld is voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, en als een droppel van de morgendauw, nederkomende op de aarde.

Boek der Wijsheid 11:24
Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.

Boek der Wijsheid 11:26
En hoe zou er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?

Boek der Wijsheid 12:2
Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.

Boek der Wijsheid 12:7
Opdat het land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning der kinderen Gods ontvangen zou.

Boek der Wijsheid 12:12
Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

Boek der Wijsheid 12:14
Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.

Boek der Wijsheid 12:18
Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.

Boek der Wijsheid 15:3
Want u kennen is een volkomen gerechtigheid, en uw kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Boek der Wijsheid 16:16
Want de goddelozen weigerende u te kennen, zijn door uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende.

Boek der Wijsheid 16:24
Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen die u betrouwen.

Boek der Wijsheid 16:26
Opdat uw kinderen, welke gij lief hebt, Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen die u geloven.

Boek der Wijsheid 16:28
Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.

Boek der Wijsheid 18:8
Want gelijk gij de tegenpartijen hebt gestraft, zo hebt gij ons daarmee tot u geroepen en verheerlijkt.

Boek der Wijsheid 19:9
Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.

Jezus Sirach 1:26
Hebt gij lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,

Jezus Sirach 1:31
Want de Here zal al uw verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering ter nederwerpen.

Jezus Sirach 2:2
Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt.

Jezus Sirach 2:4
Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering zijt lankmoedig.

Jezus Sirach 2:6
Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, en hoop op hem.

Jezus Sirach 2:7
Gij die de Here vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins ontvallen.

Jezus Sirach 2:17
Wat zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?

Jezus Sirach 3:9
Opdat zegening van mensen over u kome.

Jezus Sirach 3:11
Roem niet in de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u geen eer.

Jezus Sirach 3:14
Indien hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.

Jezus Sirach 3:17
In de dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.

Jezus Sirach 3:23
Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig.

Jezus Sirach 3:24
Want het is u niet van node, verborgen dingen met ogen te zien.

Jezus Sirach 3:25
Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen begrijpen kan.

Jezus Sirach 3:26
Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet.

Jezus Sirach 4:4
Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet af van de arme.

Jezus Sirach 4:5
Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te vervloeken.

Jezus Sirach 4:6
Want als iemand u vervloekt in bitterheid zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,

Jezus Sirach 4:7
Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder uw hoofd voor een machtige.

Jezus Sirach 4:11
En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.

Jezus Sirach 4:23
Neem de gelegenheid des tijds waar, en wacht u van het boze.

Jezus Sirach 4:31
Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed des strooms niet.

Jezus Sirach 4:33
Kamp voor de waarheid tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.

Jezus Sirach 5:1
HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.

Jezus Sirach 5:4
Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.

Jezus Sirach 5:8
Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel het niet uit dag op dag.

Jezus Sirach 5:10
Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.

Jezus Sirach 5:16
Laat u geen oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.

Jezus Sirach 6:2
Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd worde.

Jezus Sirach 6:6
Maak dat velen met u in vrede leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.

Jezus Sirach 6:8
Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.

Jezus Sirach 6:9
Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal.

Jezus Sirach 6:10
Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.

Jezus Sirach 6:11
Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken.

Jezus Sirach 6:12
Indien gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.

Jezus Sirach 6:13
Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.

Jezus Sirach 6:28
Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.

Jezus Sirach 6:29
Want ten laatste zult gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;

Jezus Sirach 6:30
En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd.

Jezus Sirach 6:35
Houd u onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan.

Jezus Sirach 6:36
Indien gij een verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.

Jezus Sirach 6:37
Overdenk de geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.

Jezus Sirach 7:1
DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.

Jezus Sirach 7:2
Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.

Jezus Sirach 7:5
Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij de koning.

Jezus Sirach 7:19
Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud.

Jezus Sirach 7:20
Die de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.

Jezus Sirach 7:22
Hebt gij vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.

Jezus Sirach 7:26
Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

Jezus Sirach 7:28
Gedenk dat gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?

Jezus Sirach 7:29
Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.

Jezus Sirach 7:31
En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,

Jezus Sirach 7:36
Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.

Jezus Sirach 8:2
Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.

Jezus Sirach 8:8
Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen.

Jezus Sirach 8:18
Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.

Jezus Sirach 8:19
Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.

Jezus Sirach 8:20
Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.

Jezus Sirach 8:22
Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 9:17
En indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.

Jezus Sirach 9:19
Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 10:6
Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken.

Jezus Sirach 11:4
Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.

Jezus Sirach 11:9
Twist niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht der zondaren.

Jezus Sirach 11:10
Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.

Jezus Sirach 11:21
Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.

Jezus Sirach 11:32
Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.

Jezus Sirach 11:34
Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve.

Jezus Sirach 11:35
Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.

Jezus Sirach 12:4
Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.

Jezus Sirach 12:5
Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.

Jezus Sirach 12:6
Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.

Jezus Sirach 12:11
Indien hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken kan.

Jezus Sirach 12:12
Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste mijn woorden gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt.

Jezus Sirach 12:14
Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.

Jezus Sirach 12:15
En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.

Jezus Sirach 12:17
Indien u iets kwaads zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.

Jezus Sirach 13:2
Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan gij.

Jezus Sirach 13:5
Indien gij hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.

Jezus Sirach 13:6
Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.

Jezus Sirach 13:7
Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

Jezus Sirach 13:8
Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.

Jezus Sirach 13:9
Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,

Jezus Sirach 13:11
Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.

Jezus Sirach 13:13
Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken onderzoeken.

Jezus Sirach 13:14
Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.

Jezus Sirach 14:12
Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is u niet getoond.

Jezus Sirach 14:14
Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.

Jezus Sirach 15:16
Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek uw hand waar heen gij wilt.

Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.

Jezus Sirach 17:12
Wacht u van alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk een van zijn naaste.

Jezus Sirach 17:19
Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden; smeek voor zijn aangezicht, en verminder de ergernis.

Jezus Sirach 17:20
Ga weder tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting der gezondheid.

Jezus Sirach 18:15
Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als gij om iets gebeden wordt.

Jezus Sirach 18:21
Verneder u door matigheid, eer gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.

Jezus Sirach 18:22
Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden.

Jezus Sirach 18:30
Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.

Jezus Sirach 18:31
Indien gij uw zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.

Jezus Sirach 18:32
Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.

Jezus Sirach 19:7
Herhaal een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering.

Jezus Sirach 19:8
En vertel noch bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar het niet.

Jezus Sirach 19:9
Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener tijd zal hij u haten.

Jezus Sirach 19:10
Hebt gij wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.

Jezus Sirach 19:19
De vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid. Een huisknecht zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt degene, die hem voedt.

Jezus Sirach 19:25
Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet gewaar wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.

Jezus Sirach 20:9
Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft.

Jezus Sirach 20:13
De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.

Jezus Sirach 20:15
Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.

Jezus Sirach 21:2
Vlied voor de zonde gelijk voor een slang, want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.

Jezus Sirach 22:15
Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.

Jezus Sirach 22:27
Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij u verheugen moogt als het hem wèl gaat.

Jezus Sirach 23:5
Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.

Jezus Sirach 23:8
Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.

Jezus Sirach 24:22
Komt herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas.

Jezus Sirach 24:26
Al deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.

Jezus Sirach 25:25
Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot wellust.

Jezus Sirach 26:12
Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien zij verkeerd tegen u zou handelen.

Jezus Sirach 27:12
Neem onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen.

Jezus Sirach 27:21
Volg hem niet, want hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk een ree uit de strik.

Jezus Sirach 28:2
Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer gij dan zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.

Jezus Sirach 28:9
Onthoud u van strijd, en gij zult de zonden verminderen, want een toornig mens ontsteekt de strijd.

Jezus Sirach 28:30
Neemt acht dat gij niet enigszins daarin struikelt, opdat gij niet valt in tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.

Jezus Sirach 29:12
Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.

Jezus Sirach 29:14
Leg uw schat naar de geboden des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.

Jezus Sirach 29:15
Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.

Jezus Sirach 29:16
Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.

Jezus Sirach 29:18
Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.

Jezus Sirach 29:24
Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.

Jezus Sirach 30:9
Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.

Jezus Sirach 30:10
Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.

Jezus Sirach 30:12
Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.

Jezus Sirach 30:13
Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.

Jezus Sirach 30:23
Heb uw ziel lief, en troost uw hart, en stel droefheid verre van u.

Jezus Sirach 31:18
Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.

Jezus Sirach 31:25
Zijt in al uw werken wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.

Jezus Sirach 31:28
Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.

Jezus Sirach 31:36
En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.

Jezus Sirach 32:1
HEBBEN zij u tot een overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van henlieden.

Jezus Sirach 32:2
Bezorg hen, en zet u zo neder.

Jezus Sirach 32:4
Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap, en gij zult het snarenspel verhinderen.

Jezus Sirach 32:8
Spreek gij jongeling, als het u van node is, en zulks nauwe lijks, indien gij tweemaal gevraagd wordt.

Jezus Sirach 32:10
Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude lieden zijn, heb niet veel gekakel.

Jezus Sirach 32:14
En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.

Jezus Sirach 32:20
Doe niets zonder raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.

Jezus Sirach 32:22
Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.

Jezus Sirach 33:19
Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken.

Jezus Sirach 33:20
Zolang als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.

Jezus Sirach 33:21
Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.

Jezus Sirach 33:30
Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.

Jezus Sirach 34:6
Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.

Jezus Sirach 35:10
Geef de Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met een goed oog hetgeen uw hand gevonden heeft.

Jezus Sirach 35:12
Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer.

Jezus Sirach 36:1
ONTFERM u over ons Here, gij God aller dingen, en zie ons aan.

Jezus Sirach 36:2
En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.

Jezus Sirach 36:5
Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs ook wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o Here.

Jezus Sirach 36:14
Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd hebt.

Jezus Sirach 36:18
Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.

Jezus Sirach 37:7
Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden.

Jezus Sirach 37:9
Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over u werpe,

Jezus Sirach 37:10
En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen zal.

Jezus Sirach 37:11
Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die u benijden;

Jezus Sirach 37:13
Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.

Jezus Sirach 37:30
Zijt niet onverzadelijk in alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.

Jezus Sirach 38:9
Mijn kind, in uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.

Jezus Sirach 38:12
Want de Here heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.


1 - 500  [501 - 678]