Vindplaatsen van het woord vaart in het oude testament (6 verzen):
Deuteronomium 33:26
Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op den hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.
Job 7:9
Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.
Psalmen 47:6
God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
Prediker 3:21
Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
Jesaja 23:6
Vaart over naar Tarsis, huilt, gij inwoners des eilands!
Jesaja 42:10
Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst