Vindplaatsen van het woord vader in de apocriefe geschriften (84 verzen):

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud was.

3 Ezra 4:20
Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.

3 Ezra 4:21
En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.

3 Ezra 4:25
En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.

4 Ezra 1:28
Dit zegt de almachtige Here: Heb ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochteren, en als een voedster haar kleine kinderen?

4 Ezra 1:29
Dat gij mij tot een volk zoudt zijn, en ik zou u tot een God zijn; en dat gij mij tot kinderen zoudt zijn, en ik zou u tot een vader zijn?

4 Ezra 2:5
Doch u, o Vader, roep ik tot getuige over de moeder dezer kinderen, die mijn verbond niet hebben willen houden:

Tobias (Tobit) 1:8
En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.

Tobias (Tobit) 2:3
En hij weder komende zeide: Vader, een uit ons geslacht ligt verworgd en geworpen op de markt.

Tobias (Tobit) 5:1
EN Tobias antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.

Tobias (Tobit) 5:10
En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en vertoef niet.

Tobias (Tobit) 5:11
En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

Tobias (Tobit) 6:17
En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt nemen uit uw geslacht?

Tobias (Tobit) 7:6
En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.

Tobias (Tobit) 7:14
En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.

Tobias (Tobit) 7:15
En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.

Tobias (Tobit) 8:18
En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,

Tobias (Tobit) 9:4
En mijn vader telt de dagen.

Tobias (Tobit) 10:1
EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?

Tobias (Tobit) 10:10
En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.

Tobias (Tobit) 10:11
En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.

Tobias (Tobit) 11:2
En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Tobias (Tobit) 11:7
Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:17
En boodschapte zijn vader de grote dingen, die geschied waren in Medië.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 12:2
En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de helft te geven, van al dat ik meegebracht heb.

Tobias (Tobit) 13:3
Dankt hem, gij kinderen Israëls, voor de heidenen, dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoont daar zijn grote heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn van alles wat leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 14:14
En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.

Boek der Wijsheid 2:16
Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.

Boek der Wijsheid 10:1
DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen geschapen vader der wereld;

Boek der Wijsheid 11:11
Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.

Boek der Wijsheid 14:3
Maar uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.

Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.

Jezus Sirach 3:1
MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden wordt.

Jezus Sirach 3:2
Want de Here heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven de zonen.

Jezus Sirach 3:3
Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden;

Jezus Sirach 3:5
Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.

Jezus Sirach 3:6
Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,

Jezus Sirach 3:7
Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.

Jezus Sirach 3:8
Eer uw vader en moeder met werken en woorden,

Jezus Sirach 3:13
Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.

Jezus Sirach 3:15
Want de barmhartigheid, die gij uw vader bewijst, zal niet vergeten worden.

Jezus Sirach 3:18
Wie zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.

Jezus Sirach 4:10
Wees de wezen als een vader, en hun moeder in plaats van een man.

Jezus Sirach 7:27
Eer uw vader van ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.

Jezus Sirach 22:5
Een stoute dochter maakt vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven.

Jezus Sirach 23:1
O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.

Jezus Sirach 23:4
O Here, Vader en God mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen, en wend een stout gemoed altijd van uw knechten af.

Jezus Sirach 23:16
Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden der groten zult gij bijzitten.

Jezus Sirach 30:4
Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is.

Jezus Sirach 34:21
Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld der armen.

Jezus Sirach 41:10
Een goddeloze vader schelden zijn kinderen, overmits zij om zijnentwil gesmaad worden.

Jezus Sirach 41:21
Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen;

Jezus Sirach 42:11
Een dochter is haar vader een heimelijk waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap.

Jezus Sirach 48:10
Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel des Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob.

Jezus Sirach 48:25
Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn vader, gelijk Jesaja die grote en eerwaardige profeet in zijn gezicht geboden had.

Jezus Sirach 51:13
Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.

Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.

Esther (apocr.) 16:10
Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, waarlijk vreemd van het bloed der Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,

1 Makkabeeën 2:54
Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.

1 Makkabeeën 2:65
En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.

1 Makkabeeën 3:2
En hem hielpen al zijn broeders, en allen die zijn vader aangehangen hadden, en voerden de krijg van Israël met vreugde.

1 Makkabeeën 6:23
Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.

1 Makkabeeën 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.

1 Makkabeeën 13:27
En Simon bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk.

1 Makkabeeën 13:28
En hij stelde daarop zeven pyramiden, de ene recht over de andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broeders.

1 Makkabeeën 15:3
Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.

1 Makkabeeën 16:1
En Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon, wat Cendebeüs uitrichtte.

1 Makkabeeën 16:21
En een, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.

1 Makkabeeën 16:24
Ziet, deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden.

2 Makkabeeën 4:11
En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd.

2 Makkabeeën 9:23
Doch aanmerkende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;

2 Makkabeeën 11:23
Nadat onze vader tot de goden opgenomen is, wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten alle beroerten hun eigen zaken mogen verzorgen;

2 Makkabeeën 11:24
Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waardoor bij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen volgen;

2 Makkabeeën 14:37
En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader der Joden was genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor.

3 Makkabeeën 5:4
Doch de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen.

3 Makkabeeën 6:2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!

3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.

3 Makkabeeën 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.