Vindplaatsen van het woord zaten in het nieuwe testament (13 verzen):

MattheŁs 4:16
Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.

MattheŁs 9:10
En het geschiedde, als Hij in het huis van MattheŁs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.

Marcus 2:6
En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:

Marcus 3:34
En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.

Marcus 6:40
En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.

Lukas 5:17
En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten FarizeŽn en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen.

Lukas 9:14
Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.

Johannes 6:10
En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.

Handelingen 2:2
En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.

Handelingen 6:15
En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.

Handelingen 13:14
En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te AntiochiŽ, een stad in PisidiŽ; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.

Openbaring 9:17
En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer,

Openbaring 20:4
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.