Vindplaatsen van het woord zohar in het oude testament (4 verzen):

Genesis 23:8
En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar,

Genesis 25:9
En Izak en IsmaŽl, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;

Genesis 46:10
En de zonen van Simeon: JemuŽl, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanašnietische vrouw.

Exodus 6:14
En de zonen van Simeon: JemuŽl, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanašnietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.