Vindplaatsen van het woord zonen in de apocriefe geschriften (57 verzen):

3 Ezra 1:13
En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, de zonen Ašrons.

3 Ezra 1:14
Want de priesters offerden het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, de zonen Ašrons.

3 Ezra 5:1
DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten van de huizen der vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.

3 Ezra 5:5
De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Ašron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van SalathiŽl, uit den huize Davids, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda.

3 Ezra 5:34
De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de kinderen van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen van Allom.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en KadmiŽl zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 8:23
Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings, en zijn zonen.

3 Ezra 8:48
En zij brachten tot ons, naar de sterke hand onzes Heren, enige verstandige mannen uit de kinderen van MoŲli, de zoon van Levi, de zoon van IsraŽl, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;

3 Ezra 8:49
En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;

3 Ezra 8:71
Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.

3 Ezra 8:85
En nu zult gij uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren zult gij niet nemen voor uw zonen.

4 Ezra 1:28
Dit zegt de almachtige Here: Heb ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochteren, en als een voedster haar kleine kinderen?

4 Ezra 15:63
Zij zullen uw zonen gevankelijk wegleiden, en uw inkomsten zullen zij tot roof maken, en zij zullen de heerlijkheid uws aanschijns teniet maken.

Tobias (Tobit) 1:6
En ik reisde menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk IsraŽls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Ašrons, voor het altaar.

Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van AnaŽl, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

Tobias (Tobit) 4:14
En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder des hongers.

Tobias (Tobit) 5:18
Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote SemeÔ wel;

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar MediŽ, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in MediŽ zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Tobias (Tobit) 14:14
En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot RaguŽl, zijn schoonvader.

Judith 16:14
De zonen der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.

Boek der Wijsheid 9:7
Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.

Jezus Sirach 3:2
Want de Here heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der moeder boven de zonen.

Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.

Jezus Sirach 17:17
Want de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.

Jezus Sirach 23:32
Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen.

Jezus Sirach 33:21
Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.

Jezus Sirach 45:16
En niemand deed ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen tijde.

Jezus Sirach 46:14
Dat hun gebeente wederom spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders.

Jezus Sirach 50:13
Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Ašron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van IsraŽl;

Jezus Sirach 50:17
Toen riepen de zonen van Ašron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een gedachtenis voor de Aller hoogste.

Baruch 1:4
En voor de oren van het ganse volk, hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en voor de oren der oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in BabyloniŽ bij de rivier Sud.

Baruch 4:10
Want ik heb gezien de gevangenis mijner zonen en dochteren, welke de eeuwige over hen gebracht heeft.

Baruch 4:14
Komt gij naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner zonen en dochters, die de eeuwige over hen heeft gebracht.

1 MakkabeeŽn 1:9
En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;

1 MakkabeeŽn 1:52
Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.

1 MakkabeeŽn 2:2
En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis,

1 MakkabeeŽn 2:14
En Mattathias en zijn zonen scheurden hun klederen, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote rouw.

1 MakkabeeŽn 2:16
En velen van IsraŽl kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.

1 MakkabeeŽn 2:17
En die van des konings wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;

1 MakkabeeŽn 2:18
Nu dan, komt gij het eerst tot ons, en doe het bevel des konings, gelijk al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, en gij zult, alsook uw huis van des konings vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele geschenken.

1 MakkabeeŽn 2:20
Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broeders wandelen in het verbond onzer vaderen;

1 MakkabeeŽn 2:28
En hij en zijn zonen vloden naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.

1 MakkabeeŽn 2:49
En als de dagen naderden dat Mattathias zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting, en de grimmige toorn.

1 MakkabeeŽn 2:70
En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen in Modin, en het ganse IsraŽl maakte over hem zeer grote rouw.

1 MakkabeeŽn 9:53
En hij nam de zonen van de overste des lands tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.

1 MakkabeeŽn 9:66
Hij sloeg Odomer en zijn broeders, en de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan, en met zijn krijgsvolk op te trekken,

1 MakkabeeŽn 11:61
En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.

1 MakkabeeŽn 13:16
Zend dan nu honderd talenten zilver, en twee van zijn zonen tot gijzelaars, opdat, als hij losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.

1 MakkabeeŽn 14:25
Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?

1 MakkabeeŽn 14:49
En dat het afschrift gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen hebben.

1 MakkabeeŽn 16:2
En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben de vijanden van IsraŽl beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij IsraŽl door onze handen dikwijls verlost hebben.

1 MakkabeeŽn 16:13
En zijn hart werd verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.

1 MakkabeeŽn 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

1 MakkabeeŽn 16:16
En als Simon en zijn zonen wel gedronken hadden, stond PtolomeŁs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enigen van zijn knechten.

2 MakkabeeŽn 7:20
Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede gedachtenis waardig, als die kloekmoedig verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op ťťn dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;

2 MakkabeeŽn 7:41
En de moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven.

3 MakkabeeŽn 5:33
En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om de hals;