Vindplaatsen van het woord zich in de apocriefe geschriften (355 verzen):

3 Ezra 1:29
Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia.

3 Ezra 1:38
En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.

3 Ezra 2:23
En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.

3 Ezra 2:26
Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;

3 Ezra 3:15
En hij zette zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen gelezen en hij zeide:

3 Ezra 4:39
En bij haar is geen aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.

3 Ezra 5:46
En de priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters, en geheel IsraŽl, in hun vlekken.

3 Ezra 5:50
En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen uit de andere volken des lands zich tegen hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.

3 Ezra 5:51
Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden naar de tijd, en brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.

3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in SyriŽ en FeniciŽ waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.

3 Ezra 7:14
En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen lang, zich verheugende voor de Here;

3 Ezra 8:61
En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.

3 Ezra 8:69
En als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk IsraŽls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:

3 Ezra 8:71
Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.

3 Ezra 9:1
EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.

3 Ezra 9:16
En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.

3 Ezra 9:37
En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit IsraŽl zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de kinderen IsraŽls waren in hun woonplaatsen.

3 Ezra 9:55
En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;

4 Ezra 1:8
Doch schud gij het haar uws hoofds af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen.

4 Ezra 1:37
Ik betuig van de genade van het komende volk, wiens kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, welke mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven hetgeen ik gezegd heb.

4 Ezra 4:40
En hij antwoordde, en zeide tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden.

4 Ezra 4:42
Want gelijk een die baart zich haast, om van de nood der geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven hetgeen haar bevolen is.

4 Ezra 5:7
En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen nochtans zullen zij haar stem horen.

4 Ezra 5:9
En in de zoete wateren zullen zoute gevonden worden, en alle vrienden zullen elkander met krijg overvallen, dan zal de kennis verborgen zijn, en het verstand zal zich verbergen in zijn binnenkameren.

4 Ezra 7:28
Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

4 Ezra 7:55
En dat de aangezichten dergenen, die zich onthouden hebben, blinken zullen boven de sterren, en toch onze aangezichten zwart zullen zijn boven de duisternis?

4 Ezra 7:62
En ik antwoordde en zeide: Ik weet Here dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat hij zich hunner ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen,

4 Ezra 7:63
En dat hij zich die ontfermt, die zich bekeren tot zijn wet.

4 Ezra 8:22
Wier opmerking zich keert met wind en vuur; wiens woord waarachtig, en wiens redenen standvastig zijn;

4 Ezra 9:1
TOEN antwoordde hij, en zeide tot mij: Meet vlijtig de tijd in zich zelf, en het zal geschieden, wanneer een deel der tekenen, die voorzegd zijn, zal voorbij gegaan zijn,

4 Ezra 10:26
En ziet, zij gaf haastig groot geluid ener stem van zich, vol vreselijkheid, zodat de aarde beefde van de stem der vrouw.

4 Ezra 11:18
En de derde heeft zich verheven, en heeft de heerschappij gehouden als de vorige, en ook deze is verdwenen.

4 Ezra 11:21
Want enige uit hen richtten zich ook op, maar verkregen de heerschappij niet.

4 Ezra 11:25
En ik zag, en ziet, die onder de vleugelen waren, meenden zich op te richten en heerschappij te verkrijgen.

4 Ezra 11:26
En ik zag, en ziet, de ene heeft zich opgericht, maar zij is terstond verdwenen.

4 Ezra 11:31
En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee vederen die onder de vleugelen waren, welke heerschappij meenden te verkrijgen.

4 Ezra 12:2
En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.

4 Ezra 13:12
En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen.

4 Ezra 13:39
En dat gij gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich vergaderd heeft;

4 Ezra 15:31
En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en tezamen spannen om met grote kracht die te vervolgen.

4 Ezra 15:32
Deze nu zullen ontsteld worden, en zullen stilstaan voor hun kracht, en zullen zich op de vlucht begeven.

4 Ezra 15:40
En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de gehele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;

4 Ezra 16:21
En in alle deze zullen zij zich niet bekeren van hun ongerechtigheden, en zullen de geselen niet altijd gedenken.

4 Ezra 16:29
Ja van een stad zullen er alleen tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstoken zullen hebben in de dichte bossen, en in de kloven der steenrotsen.

4 Ezra 16:45
Die zich ten huwelijk begeven, als die geen kinderen zullen krijgen, die zich niet ten huwelijk begeven, als de weduwnaars.

4 Ezra 16:51
Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.

4 Ezra 16:77
En gij die mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Here, ziet toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen.

Tobias (Tobit) 1:25
En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.

Tobias (Tobit) 3:12
Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.

Tobias (Tobit) 3:23
Zo beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid meer mag horen.

Tobias (Tobit) 4:7
Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.

Tobias (Tobit) 4:20
Loof de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.

Tobias (Tobit) 6:2
En de jongeling klom neder om zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier.

Tobias (Tobit) 6:21
Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.

Tobias (Tobit) 8:4
En als zij nu beiden bij elkander gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en laat ons bidden, opdat zich de Here onzer ontferme.

Tobias (Tobit) 8:18
En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 13:4
Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;

Tobias (Tobit) 13:10
Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen.

Tobias (Tobit) 13:16
O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in der eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 14:7
En God zal zich hunner weder ontfermen, en zal hen doen wederkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste was, totdat de tijden der wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten der wereld, gelijk de profeten daarvan gesproken hebben;

Tobias (Tobit) 14:8
En alle heidenen zullen waarachtig bekeerd worden, om God de Here te vrezen, en zullen hun afgoden begraven. En alle heidenen zullen de Here loven; en zijn volk zal de Here belijden, en God zal zijn volk verhogen; en allen die God de Here liefhebben, zullen zich verblijden in waarheid en gerechtigheid, doende barmhartigheid aan onze broederen.

Tobias (Tobit) 14:17
En eer hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor en AssuŽrus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, eer hij stierf.

Judith 1:6
En de koning Nabuchodonosor voerde te dien zelven dage krijg tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, hetwelk gelegen is aan de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning der ElymeŽrs, en zeer vele volken der kinderen van Gilod kwamen tezamen tot die krijg.

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:12
En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van CiliciŽ, en Damaskus, en SyriŽ, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee zeeŽn.

Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

Judith 5:1
EN het werd Holofernes, de krijgsoverste van het heerleger der AssyriŽrs, geboodschapt dat de kinderen IsraŽls zich bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al de spitsen der hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels gesteld hadden.

Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanašns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.

Judith 5:14
En zij hebben zich neergezet in het land der Ammorieten.

Judith 5:22
En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet, waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest.

Judith 7:3
En zij legerden zich in het dal bij BethuliŽ aan de fontein, en zij strekten zich uit in de breedte naar DothaÔm tot Belthem toe, en in de lengte van onder BethuliŽ, tot aan Kyamon, hetwelk ligt tegenover Esdrelon.

Judith 7:9
Want dit volk van de kinderen IsraŽls verlaat zich niet op hun spiesen, maar op de hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen van hun bergen te beklimmen.

Judith 7:12
En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen IsraŽls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover DothaÔm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der AssyriŽrs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;

Judith 8:7
En zij was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de AssyriŽrs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van BethuliŽ, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:24
Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.

Judith 10:2
Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.

Judith 10:4
En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.

Judith 10:7
Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen IsraŽls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat ťťn man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 10:19
En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten haar op.

Judith 11:2
En nu, indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben, doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.

Judith 11:13
Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen.

Judith 11:18
Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:

Judith 12:7
En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij ging des nachts uit naar het dal van BethuliŽ, en zij wies zich in het leger, in de waterfonteinen.

Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der AssyriŽrs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.

Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.

Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.

Judith 13:1
EN als het laat geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten om te scheiden, Bagoas sloot de tent van buiten toe, en deed van zich gaan allen, die voor zijn heer stonden.

Judith 13:14
En het geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad bijeen.

Judith 13:21
En al het volk ontzette zich zeer, en zich nederbuigende, aanbaden zij God.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis IsraŽls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:15
En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.

Judith 15:1
EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op hen.

Judith 15:2
En daar was geen mens die staande bleef voor het aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom BethuliŽ, werden ook op de vlucht gebracht.

Judith 15:7
De anderen nu, die te BethuliŽ woonden, vielen in het leger der AssyriŽrs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer.

Judith 15:14
En al de vrouwen IsraŽls liepen te zamen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden.

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen IsraŽls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:12
De Perzen beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid.

Boek der Wijsheid 1:16
Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; want zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.

Boek der Wijsheid 2:12
Laat ons op de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden onzer wandeling.

Boek der Wijsheid 2:16
Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.

Boek der Wijsheid 5:2
En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.

Boek der Wijsheid 10:8
Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.

Boek der Wijsheid 11:3
Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.

Boek der Wijsheid 11:15
Want die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.

Boek der Wijsheid 11:24
Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.

Boek der Wijsheid 12:12
Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

Boek der Wijsheid 12:26
Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel Gods beproeven, als zij waardig zijn.

Boek der Wijsheid 13:17
Nochtans, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is.

Boek der Wijsheid 14:1
WEDEROM iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde baren te doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert.

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Boek der Wijsheid 16:18
Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven werden.

Boek der Wijsheid 17:2
Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun macht te houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid.

Boek der Wijsheid 18:10
En daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weder.

Boek der Wijsheid 18:21
Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.

Jezus Sirach 3:5
Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.

Jezus Sirach 4:13
Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden.

Jezus Sirach 6:12
Indien gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.

Jezus Sirach 6:17
Die de Here vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn.

Jezus Sirach 8:6
Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig zijn.

Jezus Sirach 10:8
Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as?

Jezus Sirach 11:11
Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.

Jezus Sirach 11:13
En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen zich over hem.

Jezus Sirach 12:13
Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.

Jezus Sirach 12:17
Indien u iets kwaads zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.

Jezus Sirach 13:11
Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.

Jezus Sirach 13:19
Alle vlees vergadert zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijns gelijke aan.

Jezus Sirach 14:5
Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.

Jezus Sirach 15:4
Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.

Jezus Sirach 16:10
Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.

Jezus Sirach 17:18
Doch de boetvaardige heeft bij gegeven weder te keren, en heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.

Jezus Sirach 17:25
Hoe groot is de ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.

Jezus Sirach 18:14
Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.

Jezus Sirach 19:5
Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.

Jezus Sirach 21:7
Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert zich van harte.

Jezus Sirach 21:27
Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.

Jezus Sirach 22:7
Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.

Jezus Sirach 22:30
Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal zich voor hem wachten.

Jezus Sirach 23:7
De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hovaardige zullen zich daaraan stoten.

Jezus Sirach 24:1
DE wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.

Jezus Sirach 24:2
Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:

Jezus Sirach 25:2
Door eendracht der broederen en vriendschap des naasten, en wanneer man en vrouw zich tezamen verdragen.

Jezus Sirach 26:11
Bewaar een onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt, deze voor zich gebruikt.

Jezus Sirach 26:13
Gelijk een reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, en van alle water dat nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke paal nederzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen.

Jezus Sirach 27:3
Indien iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden.

Jezus Sirach 27:24
Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.

Jezus Sirach 27:30
Die zich verheugen in de val der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelen, en een zon daar zal daarmee bevangen worden.

Jezus Sirach 29:10
Velen dan vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.

Jezus Sirach 30:4
Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven ware, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is.

Jezus Sirach 30:6
Hij heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar zal zijn.

Jezus Sirach 31:3
De rijke bemoeit zich met veel geld te vergaderen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.

Jezus Sirach 32:15
Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.

Jezus Sirach 35:14
De Here zal het aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt niet aannemen, maar de smeking desgenen die onrecht lijdt zal hij verhoren.

Jezus Sirach 37:10
En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen zal.

Jezus Sirach 37:19
Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong is het, die gedurig daarover heerst.

Jezus Sirach 39:3
Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden, en in raadselen der spreuken oefent hij zich.

Jezus Sirach 39:15
Indien hij in het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan duizend anderen; en indien hij komt te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.

Jezus Sirach 39:35
In zijn bevel verheugen zij zich,

Jezus Sirach 40:10
Al wat van aarde is, keert wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weder naar de zee.

Jezus Sirach 40:17
Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven.

Jezus Sirach 40:21
Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.

Jezus Sirach 40:30
Maar een verstandig man. en die onderwezen is, wacht zich daarvan.

Jezus Sirach 41:20
Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.

Jezus Sirach 43:19
Hij verspreidt de sneeuw gelijk vogelen, die nederwaarts vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen, die zich neder zetten op enig land.

Jezus Sirach 43:22
Wanneer de koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering van het water neder, en trekt het water gelijk als een pantser aan.

Jezus Sirach 45:29
En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor IsraŽl verzoend had.

Jezus Sirach 48:16
Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de ganse aarde.

Jezus Sirach 49:3
Hij heeft zich recht gedragen in de bekering des volks, en heeft weggenomen de gruwelen der ongerechtigheid.

Jezus Sirach 50:28
Zalig is hij, die zich in deze dingen. oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs worden.

Jezus Sirach 51:3
En van de strik der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.

Jezus Sirach 51:37
Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.

Baruch 2:8
En wij hebben het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen harten.

Baruch 2:33
En zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij zullen gedenken aan de weg hunner vaderen, die gezondigd hebben voor de Here.

Baruch 4:12
Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;

Baruch 4:16
Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.

Baruch 4:31
Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw val.

Baruch 4:33
Want gelijk zij zich verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting.

Baruch 4:34
En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.

Baruch 4:37
Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.

Baruch 5:5
Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de opgang, door het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner weder gedacht heeft.

Baruch 6:17
En gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.

Baruch 6:26
Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo zet men hun gaven voor.

Baruch 6:37
Zij ontfermen zich niet der weduwe, en doen geen goed aan de wees.

Baruch 6:40
Bovendien onteren zich de ChaldeeŽn zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,

Baruch 6:48
Want zo wanneer krijg of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.

Esther (apocr.) 11:7
En al het rechtvaardige volk werd beroerd, vrezende hun ongeval, en zij bereidden zich om te sterven.

Esther (apocr.) 12:2
En hoorde hun samenspraak, en lette op hun bekommering, en vernam dat zij zich bereidden om de handen te slaan aan Artaxerxes, de koning, en waarschuwde de koning voor hen.

Esther (apocr.) 14:8
Maar zij hebben zich bij handslag verplicht in de handen van hun afgoden,

Esther (apocr.) 15:2
En zeer sierlijk opgetooid zijnde, riep zij de Verlosser aan, en die alle dingen ziet; en nam haar twee dienstmaagden met zich.

Esther (apocr.) 15:3
En leunde op de ene, als zich zeer sierlijk houdende.

Esther (apocr.) 15:7
En zijn aangezicht opheffende, dat van heerlijkheid glinsterde, zag hij haar met hevige toorn aan, en de koningin zonk neder, en haar kleur veranderde, en zij viel in onmacht, en boog zich neder op het hoofd der dienstmaagd die voorging.

Esther (apocr.) 16:2
Velen, die door de meeste goedertierenheid van hun weldoeners, dikwijls zijn geŽerd geworden, hebben zich daarover verhovaardigd;

Esther (apocr.) 16:4
En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht der ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvlieden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:47
En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog.

Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:79
Gij walvissen, en al wat zich roert in de wateren, looft de Here, prijst en roemt hem in der eeuwigheid.

Susanna (Dan. 13) 1:11
Overmits zij zich schaamden hun lusten te verhalen, en dat zij met haar wilden te doen hebben.

Susanna (Dan. 13) 1:15
En het geschiedde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna gelijk zij dagelijks gewoon was, met twee dienstmaagden alleen en wilde zich in de hof wassen, overmits het zeer heet was.

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:27
Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.

Susanna (Dan. 13) 1:32
Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen.

Susanna (Dan. 13) 1:37
Een jong gezel kwam tot haar, die verstoken was, en legde zich bij haar.

Susanna (Dan. 13) 1:47
En het ganse volk wendde zich om naar hem, en zeide: Wat rede is dit die gij gesproken hebt?

Susanna (Dan. 13) 1:57
Alzo hebt gij de dochters van IsraŽl gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.

1 MakkabeeŽn 1:16
En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.

1 MakkabeeŽn 1:57
En maakten dat IsraŽl zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen.

1 MakkabeeŽn 1:67
En verkoren liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven.

1 MakkabeeŽn 2:30
Om zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.

1 MakkabeeŽn 2:43
En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.

1 MakkabeeŽn 3:6
Zodat de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid tezamen beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis door zijn hand.

1 MakkabeeŽn 3:13
En Seron, de overste der krijgsmachten van SyriŽ, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe lieden bij zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, en zeide:

1 MakkabeeŽn 3:37
En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok van AntiochiŽ, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.

1 MakkabeeŽn 3:40
En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen en legerden zich nabij EmmanaŁs, in het vlakke land.

1 MakkabeeŽn 3:42
Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:

1 MakkabeeŽn 3:57
En zo is het leger opgebroken, en zij legerden zich tegen het zuiden van EmmaŁs.

1 MakkabeeŽn 4:1
En Gorgias nam tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op des nachts;

1 MakkabeeŽn 4:19
Als Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;

1 MakkabeeŽn 4:23
En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, en vele klederen van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.

1 MakkabeeŽn 4:29
En zij, in Idumeš gekomen zijnde, legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.

1 MakkabeeŽn 5:5
Besloot hij hen in de torens, en legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin waren.

1 MakkabeeŽn 5:11
De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd, om ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen, en in te nemen de sterkte, waarin wij gevloden zijn, en TimotheŁs voert hun leger aan.

1 MakkabeeŽn 5:23
Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde.

1 MakkabeeŽn 5:27
En dat zijn ook in al die overige steden van Galašditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op ťťn dag.

1 MakkabeeŽn 5:37
En na deze zaken vergaderde TimotheŁs een ander leger, en legerde zich tegenover Rafon over de beek.

1 MakkabeeŽn 5:42
Als nu Judas nabij de beek des waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.

1 MakkabeeŽn 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.

1 MakkabeeŽn 6:19
Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.

1 MakkabeeŽn 6:21
En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit IsraŽl voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:

1 MakkabeeŽn 6:31
En zij kwamen door Idumeš, en legerden zich tegen Bethsura, hetwelk zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.

1 MakkabeeŽn 6:32
En Judas brak op van de burcht en legerde zich in Bethzacharia tegenover het leger des konings.

1 MakkabeeŽn 6:44
En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen.

1 MakkabeeŽn 6:45
En hij liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg dood ter rechter hand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden van hem.

1 MakkabeeŽn 6:46
En hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.

1 MakkabeeŽn 6:56
Weergekeerd was van PerziŽ en MediŽ, met de krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan,

1 MakkabeeŽn 6:57
Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.

1 MakkabeeŽn 7:12
En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om enige billijke zaken te verzoeken.

1 MakkabeeŽn 7:19
En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.

1 MakkabeeŽn 7:39
En Nicanor trok uit Jeruzalem en legerde zich te Bethoron, en aldaar ontmoette hem het krijgsvolk van SyriŽ.

1 MakkabeeŽn 7:40
En Judas legerde zich in Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:

1 MakkabeeŽn 7:46
En uit alle vlekken van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet ťťn overgelaten.

1 MakkabeeŽn 8:14
En dat in deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin treffelijk te vertonen;

1 MakkabeeŽn 9:2
En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden zich te Masaloth, hetwelk in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen vele zielen van mensen.

1 MakkabeeŽn 9:14
En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden zich bij hem.

1 MakkabeeŽn 9:16
En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.

1 MakkabeeŽn 9:33
En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden zich bij het water van het meer Asfar.

1 MakkabeeŽn 9:38
Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.

1 MakkabeeŽn 9:64
En hij kwam en legerde zich tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van geweld.

1 MakkabeeŽn 10:23
Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken?

1 MakkabeeŽn 10:48
En de koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.

1 MakkabeeŽn 10:62
Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;

1 MakkabeeŽn 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-SyriŽ was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

1 MakkabeeŽn 10:75
En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.

1 MakkabeeŽn 10:83
En de ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vloden naar Azote, en begaven zich in Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn.

1 MakkabeeŽn 10:86
En Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.

1 MakkabeeŽn 11:24
En hij nam met zich zilver, en goud en kostelijke klederen, en andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning te PtolomaÔs, en hij vond genade bij hem.

1 MakkabeeŽn 11:37
En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.

1 MakkabeeŽn 11:46
En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de stad.

1 MakkabeeŽn 11:66
Doch Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en des morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.

1 MakkabeeŽn 11:72
Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.

1 MakkabeeŽn 12:27
Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger.

1 MakkabeeŽn 12:47
En hij liet bij zich blijven drieduizend man, van welke hij tweeduizend liet gaan in Galilea, en duizend trokken met hem.

1 MakkabeeŽn 13:10
En hij vergaderde alle strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom.

1 MakkabeeŽn 13:13
Simon nu legerde zich in Adidis, tegenover het vlakke veld.

1 MakkabeeŽn 13:17
En Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, zond het geld, en de twee zoontjes, opdat hij misschien bij het volk niet grote vijandschap op zich zou laden.

1 MakkabeeŽn 13:47
En Simon liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.

1 MakkabeeŽn 14:7
En hij vergaderde vele gevangenen, en vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde.

1 MakkabeeŽn 14:11
Hij maakte vrede in het land en IsraŽl verheugde zich met grote verheuging.

1 MakkabeeŽn 14:24
Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap der wapenen te bevestigen.

1 MakkabeeŽn 15:13
En Antiochus legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters.

1 MakkabeeŽn 15:32
En Athenobius, de vriend des konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden des konings.

1 MakkabeeŽn 15:37
Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias.

1 MakkabeeŽn 15:39
En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.

1 MakkabeeŽn 16:6
Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.

2 MakkabeeŽn 1:22
Hetwelk gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken bedekt zijnde, weder scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.

2 MakkabeeŽn 2:18
Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen in deze heilige plaats.

2 MakkabeeŽn 2:22
En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het ganse land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben vervolgd;

2 MakkabeeŽn 3:15
En de priesters in hun priesterlijke klederen, wierpen zich neder voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,

2 MakkabeeŽn 3:24
Zo heeft de prins der geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar tezamen te komen, door de kracht Gods verslagen zijnde, bezweken en in vrees nedervielen.

2 MakkabeeŽn 4:2
En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.

2 MakkabeeŽn 4:14
Zodat de priesters niet meer volvaardig waren om de dienst te doen bij het altaar, maar de tempel verachtende, en de offeranden nalatende, benaarstigden zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats geschiedden, nadat zij anderen beroepen hadden, om met de bal te spelen;

2 MakkabeeŽn 4:16
Om dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.

2 MakkabeeŽn 4:34
Waarom MenelaŁs, hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen; die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag.

2 MakkabeeŽn 4:46
PtolomeŁs dan hetzelve ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald,

2 MakkabeeŽn 5:15
En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende tot een leidsman MenelaŁs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.

2 MakkabeeŽn 5:23
En in Garizin Andronicus, en benevens deze MenelaŁs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers.

2 MakkabeeŽn 5:25
Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.

2 MakkabeeŽn 6:4
Want de tempel werd vervuld met overdadigheid, en brasserijen der heidenen, die met de hoeren daar in luiheid leefden, en in de heilige galerijen zich vermengden met de vrouwen; en daarenboven dingen daarin brachten die niet betaamden.

2 MakkabeeŽn 6:20
Voor zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen betaamt, die zich willen blijven verdedigen tegen die dingen, welke niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te behouden.

2 MakkabeeŽn 7:5
Als hem nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig te sterven;

2 MakkabeeŽn 7:12
Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte.

2 MakkabeeŽn 8:1
En Judas de MakkabeeŽr, en die met hem waren, heimelijk in de vlekken inkomende, riepen hun bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven waren tot zich nemende, vergaderden zesduizend man;

2 MakkabeeŽn 8:2
En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was;

2 MakkabeeŽn 8:3
En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;

2 MakkabeeŽn 8:7
En hij nam vooral de nachten waar tot zodanige lagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich alleszins.

2 MakkabeeŽn 9:8
Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,

2 MakkabeeŽn 9:12
En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zeide hij deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke God gelijk te zijn.

2 MakkabeeŽn 9:29
En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot PtolomeŁs Filometor.

2 MakkabeeŽn 10:15
En tegelijk met hem ook de IdumeeŽn, welgelegen sterkten in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.

2 MakkabeeŽn 10:20
Maar die met Simon waren, geldgierig zijnde, lieten zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, en zevenduizend drachmen ontvangen hebbende, lieten toe dat enigen ontkwamen.

2 MakkabeeŽn 11:1
En een zeer weinig tijds daarna, Lysias, des konings hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over hetgeen geschied was,

2 MakkabeeŽn 11:7
En MakkabeŁs zelf nam eerst de wapenen op, en vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven, om hun broeders te hulp te komen.

2 MakkabeeŽn 11:10
En zij trokken in slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.

2 MakkabeeŽn 12:1
En als deze verbonden aldus gemaakt waren, zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het land te bouwen.

2 MakkabeeŽn 12:14
Maar die van binnen vertrouwende op de vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende, en sprekende onbehoorlijke dingen.

2 MakkabeeŽn 12:20
En Judas MakkabeŁs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op TimotheŁs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard.

2 MakkabeeŽn 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.

2 MakkabeeŽn 12:29
En vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiŽn.

2 MakkabeeŽn 12:42
En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen, die gevallen waren.

2 MakkabeeŽn 13:3
En bij dezen voegde zich ook MenelaŁs, die Antiochus met veel schimpen vermaande, niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld worden.

2 MakkabeeŽn 13:23
En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te AntiochiŽ gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.

2 MakkabeeŽn 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.

2 MakkabeeŽn 14:14
En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren gevlucht, vermengden zich als kudden met Nicanor, achtende dat der Joden tegenspoed en ellenden hun eigen voorspoed zou zijn.

2 MakkabeeŽn 14:15
En de Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning heeft aangenomen.

2 MakkabeeŽn 14:30
Doch MakkabeŁs, bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam, vergaderd hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor Nicanor verborgen.

2 MakkabeeŽn 15:1
Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen van SamariŽ, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen.

2 MakkabeeŽn 15:12
En aldus was zijn gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.

3 MakkabeeŽn 1:2
En nam zijn zuster ArsinoŽ met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus en zijn krijgslieden hun leger hadden.

3 MakkabeeŽn 1:3
En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltrekken, nam tot zich de beste uit de wapenen van PtolomeŁs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich des nachts tot de tent van PtolomeŁs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de krijg maken.

3 MakkabeeŽn 1:10
En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.

3 MakkabeeŽn 1:11
Maar als dezen hem zeiden, dat zulks niet betaamde, omdat het niet geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren, noch ook al de priesters daar in te gaan, dan alleen de hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans geenszins bewegen.

3 MakkabeeŽn 1:19
Daarbenevens sommigen van de burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering.

3 MakkabeeŽn 1:20
En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weder tot dezelfde plicht des gebeds.

3 MakkabeeŽn 1:22
Doch hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken aan hetgeen tevoren gezegd is.

3 MakkabeeŽn 1:23
Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet gedogen.

3 MakkabeeŽn 2:23
Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning.

3 MakkabeeŽn 3:7
Ja ook sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk enigen tot zich trekkende, en deden beloften, dat zij hen mede wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp.

3 MakkabeeŽn 3:8
Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief:

3 MakkabeeŽn 4:1
En overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits de vijandschap nu met stoutheid zich blijkbaar openbaarde, welke in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.

3 MakkabeeŽn 4:6
Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.

3 MakkabeeŽn 5:1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.

3 MakkabeeŽn 5:2
En als hij dit gelast had, begaf hij zich weder tot goede sier te maken, en vergaderde de voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was.

3 MakkabeeŽn 5:8
Als nu de Joden die tevoren betekende ure ontkomen waren, prezen zij hun heilige God; en zij baden hem weder, die zich lichtelijk laat verzoenen, dat hij de sterkte van zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen.

3 MakkabeeŽn 5:9
Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.

3 MakkabeeŽn 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 MakkabeeŽn 5:17
De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des konings voornemen nu gereed was.

3 MakkabeeŽn 5:22
Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.

3 MakkabeeŽn 5:24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.

3 MakkabeeŽn 5:25
Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;

3 MakkabeeŽn 5:33
En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om de hals;

3 MakkabeeŽn 5:35
Doch wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld waren.

3 MakkabeeŽn 6:1
En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus:

3 MakkabeeŽn 6:3
Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht IsraŽls een licht van uw barmhartigheid betoond.

3 MakkabeeŽn 6:4
Gij hebt de machtige koning van AssyriŽ, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk bewezen.

3 MakkabeeŽn 6:6
Gij hebt DaniŽl, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.

3 MakkabeeŽn 6:12
Gij heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, gij die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.

3 MakkabeeŽn 6:19
En de beesten keerden zich om naar de volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden hen.

3 MakkabeeŽn 6:27
Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.

3 MakkabeeŽn 6:29
En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen hunner vaderen, God de behouder en wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een teken der vreedzame blijdschap.

3 MakkabeeŽn 7:8
Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om terstond te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf.

3 MakkabeeŽn 7:12
En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na hen vele openbare smaadheden aangedaan te hebben.

3 MakkabeeŽn 7:14
Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij nu de volkomen genieting hunner behoudenis verkregen hadden vertrokken gelijk uit de stad met allerlei zeer welriekende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God hunner vaderen, de heilige verlosser IsraŽls.