Vindplaatsen van het woord zegen in de apocriefe geschriften (11 verzen):

Boek der Wijsheid 15:19
En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien der andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en zijn zegen ontvloden.

Jezus Sirach 7:34
En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen worde.

Jezus Sirach 11:23
De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.

Jezus Sirach 33:16
En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.

Jezus Sirach 34:18
Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen.

Jezus Sirach 36:19
Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, naar de zegen van Ašron over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.

Jezus Sirach 37:25
Een wijs man zal vervuld worden met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen.

Jezus Sirach 39:26
Zijn zegen bedekt de aarde gelijk een rivier, en gelijk een watervloed het droge land dronken maakt;

Jezus Sirach 44:24
En alzo heeft hij ook in Izašk gesteld, om Abraham, zijns vaders wil, de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.

Jezus Sirach 50:21
Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der kinderen IsraŽls, om hun te geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.

Jezus Sirach 50:22
En zij baden ten tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.