Vindplaatsen van het woord zag in de apocriefe geschriften (70 verzen):

3 Ezra 4:31
En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

4 Ezra 2:42
Ik Ezra zag op de berg Sion een grote hoop, die ik niet tellen kon, en zij loofden allen de Here met lofzangen;

4 Ezra 3:2
Want ik zag de verwoesting van Sion, en de overvloed dergenen, die te Babylon woonden.

4 Ezra 4:48
En ik stond daar, en ik zag, en zie een gloeiende oven ging voor mij heen, en als de vlam voorbijging, zo zag ik dat de rook overbleef.

4 Ezra 9:38
En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en weende met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar klederen waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.

4 Ezra 10:27
En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zeide:

4 Ezra 10:29
En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij.

4 Ezra 11:1
EN ik zag een droom, en zie een arend klom op van de zee, welke twaalf vleugelen van vederen had, en drie hoofden.

4 Ezra 11:2
En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugelen uit over de gehele aarde, en al de winden des hemels woeien daarop, en werden vergaderd.

4 Ezra 11:3
En ik zag dat van zijn vederen andere vederen daartegen wiessen, en dat zij tot kleine en smalle vederkens werden.

4 Ezra 11:5
En ik zag, en zie de arend vloog met zijn vleugelen en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen.

4 Ezra 11:6
En ik zag dat alle dingen hem onder de hemel onderdanig waren, en niemand wedersprak hem, ja niet een van de schepselen die op aarde zijn.

4 Ezra 11:7
En ik zag, en ziet de arend stond op zijn klauwen, en sprak tot zijn vederen, en zeide:

4 Ezra 11:10
En ik zag, en ziet, de stem kwam niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.

4 Ezra 11:12
En ik zag, en ziet, van de rechterzijde stond een veder op, en zij heerste over de gehele aarde.

4 Ezra 11:20
En ik zag, en ziet, de volgende vederen werden mettertijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen nochtans in korte tijd.

4 Ezra 11:22
En ik zag daarna, en ziet de twaalf vederen werden niet meer gezien, noch de twee vederkens.

4 Ezra 11:24
En ik zag, en ziet, van de zes vederkens zijn de twee afgescheiden, en zijn onder het hoofd gebleven dat ter rechterzijde was, maar de vier bleven aan haar plaats.

4 Ezra 11:25
En ik zag, en ziet, die onder de vleugelen waren, meenden zich op te richten en heerschappij te verkrijgen.

4 Ezra 11:26
En ik zag, en ziet, de ene heeft zich opgericht, maar zij is terstond verdwenen.

4 Ezra 11:28
En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen.

4 Ezra 11:30
En ik zag dat de twee hoofden hiermee samengevoegd waren.

4 Ezra 11:33
En ik zag daarna, dat het middelste hoofd haastig verdween, en dat ook gelijk de vleugelen.

4 Ezra 11:35
En ik zag, en ziet, het hoofd, dat van de rechterzijde was, verslond dat van de linkerzijde was.

4 Ezra 11:37
En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de arend, en zeide:

4 Ezra 12:1
EN het is geschied toen de leeuw deze woorden sprak tot de arend, dat ik zag,

4 Ezra 12:3
En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het gehele lichaam des arends werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het groot gewoel en de grote vrees uit de verdrukking mijner zinnen, en ik zeide tot mijn geest:

4 Ezra 13:3
En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden des hemels, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd.

4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.

4 Ezra 13:6
En ik zag, en ziet, hij had zichzelf een grote berg uitgesneden, en hij vloog daarop.

4 Ezra 13:8
En daarna zag ik, en ziet, allen die tezamen vergaderd waren tegen hem, om hem te bestrijden, waren zeer bevreesd, en nochtans bestonden zij te strijden.

4 Ezra 13:9
En zie, zodra als hij het geweld der aankomende menigte zag, zo hief hij zijn hand niet op, en hield geen zwaard noch enig krijgsgeweer, maar alleen zag ik dit,

4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.

4 Ezra 13:12
En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen.

Tobias (Tobit) 1:20
Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die begroef ik.

Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Judith 4:14
En de Here verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis IsraŽls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Boek der Wijsheid 19:7
En waar tevoren water stond, zag men droog land opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend veld.

Jezus Sirach 30:5
In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.

Jezus Sirach 45:23
Maar de Here zag het, en had geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de grimmigheid van zijn toorn.

Jezus Sirach 48:27
Hij zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in Sion.

Jezus Sirach 49:10
EzechiŽl is het, die een heerlijk gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der cherubim.

Jezus Sirach 51:9
Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen, en daar was geen.

Esther (apocr.) 15:7
En zijn aangezicht opheffende, dat van heerlijkheid glinsterde, zag hij haar met hevige toorn aan, en de koningin zonk neder, en haar kleur veranderde, en zij viel in onmacht, en boog zich neder op het hoofd der dienstmaagd die voorging.

Esther (apocr.) 15:11
En zij zeide tot hem: Ik zag u aan, heer, als een engel Gods, en mijn hart werd beroerd uit vrees uwer heerlijkheid;

Susanna (Dan. 13) 1:35
Maar zij weende, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op de Here.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:17
En het geschiedde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luider stem uitriep: Bel gij zijt groot, en geen bedrog is bij u.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:29
En de koning zag, dat zij zeer op hem aandrongen, en werd gedwongen hun DaniŽl over te geven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over DaniŽl, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet DaniŽl zat daar.

1 MakkabeeŽn 2:6
En hij zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem geschiedden,

1 MakkabeeŽn 2:24
En Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn gelijk het recht is, en toelopende doodde hem op het altaar.

1 MakkabeeŽn 3:29
En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden, weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;

1 MakkabeeŽn 4:20
En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde wat er geschied was.

1 MakkabeeŽn 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:

1 MakkabeeŽn 6:43
En Eleazar Aušran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;

1 MakkabeeŽn 7:23
En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen IsraŽls deden meer dan de heidenen,

1 MakkabeeŽn 7:25
En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze stukken.

1 MakkabeeŽn 7:44
Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vloden.

1 MakkabeeŽn 9:14
En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden zich bij hem.

1 MakkabeeŽn 9:57
En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.

1 MakkabeeŽn 14:35
Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen.

1 MakkabeeŽn 15:12
Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.

1 MakkabeeŽn 15:32
En Athenobius, de vriend des konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden des konings.

1 MakkabeeŽn 16:6
Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.

2 MakkabeeŽn 2:4
En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag.

2 MakkabeeŽn 4:6
Want hij zag dat het onmogelijk was, dat zonder des konings voorzorg de zaken tot vrede zouden kunnen gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden van zijn razernij.

3 MakkabeeŽn 5:9
Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.