Vindplaatsen van het woord zondaars in het oude testament (13 verzen):

Genesis 13:13
En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE.

1 SamuŽl 15:18
En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet.

1 Koningen 1:21
Anders zal het geschieden, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.

Psalmen 1:5
Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.

Psalmen 25:8
Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.

Psalmen 51:15
Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

Psalmen 104:35
De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

Spreuken 1:10
Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;

Spreuken 13:21
Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.

Spreuken 13:22
De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor den rechtvaardige weggelegd.

Jesaja 1:28
Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen.

Jesaja 13:9
Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen.

Amos 9:10
Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.