Vindplaatsen van het woord zerubabel in de apocriefe geschriften (11 verzen):

3 Ezra 4:13
De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:

3 Ezra 5:5
De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Ašron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van SalathiŽl, uit den huize Davids, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda.

3 Ezra 5:8
En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, RheŽlius, Rorinus, Bašnas, hun oversten.

3 Ezra 5:48
En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van SealthiŽl en zijn broeders stonden op.

3 Ezra 5:56
En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van SealthiŽl, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.

3 Ezra 5:68
En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.

3 Ezra 5:70
Toen zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua en de oversten der vaderlijke geslachten IsraŽls:

3 Ezra 6:2
Toen stond op Zerubabel, de zoon van SealthiŽl, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl de profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in SyriŽ en FeniciŽ waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.

3 Ezra 6:29
Ook dat uit de inkomsten van Celo-SyriŽ en FeniciŽ met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;