Vindplaatsen van het woord zebulon in het oude testament (43 verzen):

Genesis 30:20
En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.

Genesis 35:23
De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.

Genesis 46:14
En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.

Genesis 49:13
Zebulon zal aan de haven der zeeŽn wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.

Exodus 1:3
Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

Numeri 1:9
Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

Numeri 1:30
Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

Numeri 1:31
Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

Numeri 2:7
Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.

Numeri 7:24
Op den derden dag offerde de overste der zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

Numeri 10:16
En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.

Numeri 13:10
Van den stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.

Numeri 26:26
De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.

Numeri 34:25
En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;

Deuteronomium 27:13
En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.

Deuteronomium 33:18
En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.

Jozua 19:10
Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid.

Jozua 19:16
Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen.

Jozua 19:27
En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-el noordwaarts naar Beth-emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;

Jozua 19:34
En deze landpale wendt zich westwaarts naar Asnoth-thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen den opgang der zon.

Jozua 21:7
Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.

Jozua 21:34
Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van den stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden;

Richteren 1:30
Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanašnieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.

Richteren 4:6
En zij zond heen en riep Barak, den zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zeide tot hem: Heeft de HEERE, de God IsraŽls, niet geboden: Ga heen en trek op den berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?

Richteren 4:10
Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.

Richteren 5:14
Uit EfraÔm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.

Richteren 5:18
Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.

Richteren 6:35
Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.

Richteren 12:12
En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon.

1 Kronieken 2:1
Dezen zijn de kinderen van IsraŽl: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

1 Kronieken 6:63
De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden.

1 Kronieken 6:77
De overige kinderen van Merari hadden van den stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;

1 Kronieken 12:33
Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;

1 Kronieken 12:40
En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in IsraŽl.

1 Kronieken 27:19
Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van AzriŽl;

2 Kronieken 30:10
Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van EfraÔm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen.

2 Kronieken 30:11
Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.

2 Kronieken 30:18
Want een menigte des volks, velen van EfraÔm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Doch Jehizkia bad voor hen, zeggende: De HEERE, die goed is, make verzoening voor dien.

Psalmen 68:28
Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.

Jesaja 8:23
Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen.

EzechiŽl 48:26
En aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot aan den westerhoek toe, Zebulon een.

EzechiŽl 48:27
En aan de landpale van Zebulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Gad een.

EzechiŽl 48:33
De zuiderhoek ook vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: een poort van Simeon, een poort van Issaschar, een poort van Zebulon.