Vindplaatsen van het woord zondigen in het oude testament (41 verzen):

Genesis 20:6
En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.

Genesis 39:9
Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!

Exodus 23:33
Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.

Deuteronomium 19:15
Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.

Deuteronomium 24:4
Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des HEEREN; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.

1 SamuŽl 12:23
Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren.

1 SamuŽl 19:5
Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft den Filistijn geslagen, en de HEERE heeft een groot heil aan het ganse IsraŽl gedaan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest; waarom zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende?

1 Koningen 14:16
En Hij zal IsraŽl overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die IsraŽl heeft doen zondigen.

1 Koningen 15:26
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmede hij IsraŽl had doen zondigen.

1 Koningen 15:30
Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die IsraŽl zondigen deed, en om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God IsraŽls, getergd had.

1 Koningen 15:34
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmede hij IsraŽl had doen zondigen.

1 Koningen 16:2
Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk IsraŽl gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jerobeam, en Mijn volk IsraŽl hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;

1 Koningen 16:13
Om al de zonden van BaŽsa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij IsraŽl hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God IsraŽls, door hun ijdelheden.

1 Koningen 16:19
Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende IsraŽl zondigen.

1 Koningen 16:26
En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmede hij IsraŽl had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God IsraŽls, tot toorn, door hun ijdelheden.

1 Koningen 21:22
En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en gelijk het huis van BaŽsa, den zoon van Ahia; om de terging, waarmede gij Mij getergd hebt, en dat gij IsraŽl hebt doen zondigen.

1 Koningen 22:53
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde in den weg van zijn vader, en in den weg van zijn moeder, en in den weg van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 3:3
Evenwel hing hij de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die IsraŽl deed zondigen; hij week daarvan niet af.

2 Koningen 10:29
Maar van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-el en die te Dan waren.

2 Koningen 10:31
Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods van IsraŽl, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 13:2
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed; hij week daarvan niet af.

2 Koningen 13:6
Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die IsraŽl zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)

2 Koningen 13:11
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed, maar hij wandelde daarin.

2 Koningen 14:24
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:9
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:18
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:24
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 15:28
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die IsraŽl zondigen deed.

2 Koningen 17:21
Want Hij scheurde IsraŽl van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef IsraŽl af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.

2 Koningen 21:11
Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;

2 Koningen 21:16
Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN.

2 Koningen 23:15
Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke IsraŽl zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.

Nehemia 6:13
Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwaden naam, opdat zij mij zouden honen.

Nehemia 13:26
Heeft niet Salomo, de koning van IsraŽl, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans IsraŽl gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.

Job 31:30
(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).

Psalmen 78:17
Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

Psalmen 119:11
Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

Prediker 5:5
Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht des engels, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen?

Jeremia 32:35
En zij hebben de hoogten van Bašl gebouwd, die in het dal des zoons van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochteren den Molech door het vuur te laten gaan; hetwelk Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij dezen gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen.

Hosea 8:11
Omdat EfraÔm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.

Hosea 13:2
En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.