Vindplaatsen van het woord zat in de apocriefe geschriften (15 verzen):

3 Ezra 4:29
Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings zat,

3 Ezra 8:72
En zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn klederen, en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haren van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer treurig.

3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God IsraŽls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.

3 Ezra 9:6
En de gehele menigte zat op de grote voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande winter.

3 Ezra 9:45
En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.

4 Ezra 9:26
En ik ben heengegaan, gelijk hij mij gezegd had, in het veld hetwelk Ardath heet, en ik zat aldaar in de bloemen; en ik at van het kruid des akkers, en ik werd van zijn spijs verzadigd.

4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.

4 Ezra 13:58
En dat hij de tijd, met hetgeen in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat aldaar drie dagen.

4 Ezra 14:1
EN het geschiedde op de derde dag, dat ik zat onder een eik.

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over DaniŽl, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet DaniŽl zat daar.

1 MakkabeeŽn 1:28
Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw.

1 MakkabeeŽn 14:12
En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.

2 MakkabeeŽn 3:25
Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.