Vindplaatsen van het woord zestig in het oude testament (61 verzen):

Genesis 5:15
En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.

Genesis 5:18
En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.

Genesis 5:20
Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.

Genesis 5:21
En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach.

Genesis 5:23
Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.

Genesis 5:27
Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.

Genesis 25:26
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

Genesis 46:26
Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.

Leviticus 12:5
Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging.

Leviticus 27:3
Als uw schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud, tot een, die zestig jaren oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar den sikkel des heiligdoms.

Leviticus 27:7
En is het van een, die zestig jaren oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkelen, en voor een vrouw tien sikkelen.

Numeri 1:39
Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

Numeri 2:26
Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

Numeri 3:50
Van de eerstgeborenen van de kinderen IsraŽls nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

Numeri 7:88
En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.

Numeri 26:25
Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

Numeri 26:27
Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

Numeri 26:43
Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.

Numeri 31:34
En een en zestig duizend ezelen;

Numeri 31:39
En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.

Deuteronomium 3:4
En wij namen te dier tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.

Jozua 13:30
Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van JaÔr, die in Bazan zijn, zestig steden.

2 SamuŽl 2:31
Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.

1 Koningen 4:13
De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van JaÔr, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.

1 Koningen 4:22
De spijze nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;

1 Koningen 6:2
En dat huis, hetwelk de koning Salomo den HEERE bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.

1 Koningen 10:14
Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;

2 Koningen 25:19
En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden.

1 Kronieken 2:21
Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.

1 Kronieken 2:23
En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van JaÔr, van dezelve, met Kenath en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.

1 Kronieken 5:18
Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

1 Kronieken 9:13
Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.

1 Kronieken 16:38
Obed-edom nu, met hunlieder broederen, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-edom, den zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortiers;

1 Kronieken 26:8
Deze allen waren uit de kinderen van Obed-edom; zij, en hun kinderen, en hun broeders, kloeke mannen in kracht tot den dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-edom.

2 Kronieken 3:3
En deze zijn de grondleggingen van Salomo, om het huis Gods te bouwen: de lengte in ellen, naar de eerste mate, was zestig ellen, en de breedte twintig ellen.

2 Kronieken 9:13
Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;

2 Kronieken 11:21
En Rehabeam had Maacha, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.

2 Kronieken 12:3
Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren;

Ezra 2:8
De kinderen van Zatthu, negenhonderd vijf en zestig.

Ezra 2:9
De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

Ezra 2:13
De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.

Ezra 2:64
Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.

Ezra 2:69
Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.

Ezra 6:3
In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;

Ezra 8:10
En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.

Ezra 8:13
En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.

Nehemia 7:14
De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;

Nehemia 7:18
De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;

Nehemia 7:19
De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;

Nehemia 7:66
Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;

Nehemia 7:72
En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.

Nehemia 11:6
Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en zestig dappere mannen.

Hooglied 3:7
Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van IsraŽl;

Hooglied 6:8
Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal.

Jesaja 7:8
Maar Damaskus zal het hoofd van SyriŽ zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal EfraÔm verbroken worden, dat het geen volk zij.

Jeremia 52:25
En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in het midden der stad gevonden werden.

EzechiŽl 40:14
Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot den post des voorhofs, rondom de poort henen.

DaniŽl 3:1
De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.

DaniŽl 6:1
Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.

DaniŽl 9:25
Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.

DaniŽl 9:26
En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.