Vindplaatsen van het woord zeggende in de apocriefe geschriften (66 verzen):

3 Ezra 1:26
En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?

3 Ezra 2:2
Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:

3 Ezra 4:58
En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:

3 Ezra 8:83
En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:

3 Ezra 9:54
En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, zijt niet droevig.

4 Ezra 1:12
Gij dan spreek tot hen, zeggende: Zo spreekt de Here;

4 Ezra 1:17
Waar zijn de weldaden die ik u bewezen heb? Hebt gij niet in de woestijn, toen u hongerde, tot mij geroepen, zeggende:

4 Ezra 4:35
Hebben niet de zielen der rechtvaardigen in hun binnenkamers hiervan gevraagd, zeggende: Hoe lang zal ik zo hopen? en wanneer zal de vrucht des oogstes van onze beloning komen?

4 Ezra 11:15
En een stem is tot haar gekomen; zeggende:

4 Ezra 12:40
En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

4 Ezra 14:5
En ik vertelde hem vele wonderen, en toonde hem de verborgenheden en het einde der tijden, en beval hem, zeggende:

4 Ezra 14:38
En mij geschiedde des anderen daags, dat een stem mij riep, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink hetgeen ik u te drinken zal geven.

Tobias (Tobit) 2:9
En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.

Tobias (Tobit) 8:9
En RaguŽl stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?

Tobias (Tobit) 8:14
En RaguŽl loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 13:20
En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:

Judith 3:1
EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende:

Judith 6:14
En het volk, nedervallende, bad God aan, en riep zeggende:

Judith 12:6
En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.

Jezus Sirach 2:22
Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.

Jezus Sirach 19:19
De vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid. Een huisknecht zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt degene, die hem voedt.

Jezus Sirach 24:2
Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:

Jezus Sirach 24:26
Al deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.

Jezus Sirach 46:21
En eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: Geld, ook tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem.

Baruch 2:20
Want gij hebt uw toorn en gramschap over ons gebracht, gelijk als gij gesproken hebt door de dienst uwer knechten, de profeten zeggende:

Baruch 2:28
Gelijkerwijs gij gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de kinderen IsraŽls, zeggende:

Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:51
TOEN zongen de drie als uit ťťn mond, en loofden en prezen God in de oven, zeggende:

1 MakkabeeŽn 1:12
In deze dagen gingen uit IsraŽl enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.

1 MakkabeeŽn 2:17
En die van des konings wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;

1 MakkabeeŽn 2:27
En Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.

1 MakkabeeŽn 2:36
En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:

1 MakkabeeŽn 2:41
En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.

1 MakkabeeŽn 3:50
En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?

1 MakkabeeŽn 5:10
Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:

1 MakkabeeŽn 5:15
Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd waren uit PtolomaÔs, en Tyrus, en Sidon, met het ganse Galilea der vreemdelingen, om ons uit te roeien.

1 MakkabeeŽn 5:19
En hij beval hun, zeggende: Weest over dit volk, en begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat wij zullen wedergekeerd zijn.

1 MakkabeeŽn 5:38
En Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.

1 MakkabeeŽn 5:42
Als nu Judas nabij de beek des waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.

1 MakkabeeŽn 5:49
En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede:

1 MakkabeeŽn 7:6
En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.

1 MakkabeeŽn 7:15
En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, en onze vrienden geen kwaad toebrengen.

1 MakkabeeŽn 7:28
Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen mij en ulieden. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik uw aangezichten mag zien met vrede.

1 MakkabeeŽn 7:35
En hij zwoer met gramschap, zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote gramschap.

1 MakkabeeŽn 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 MakkabeeŽn 9:9
Doch zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, keert nu weder, want onze broeders zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?

1 MakkabeeŽn 10:20
En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.

1 MakkabeeŽn 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-SyriŽ was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

1 MakkabeeŽn 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.

1 MakkabeeŽn 11:41
En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.

1 MakkabeeŽn 11:49
Zeggende: Geef ons de rechter hand, en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.

1 MakkabeeŽn 11:56
En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult zijn.

1 MakkabeeŽn 13:8
En zij antwoordden met een grote stem zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.

1 MakkabeeŽn 13:15
Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.

2 MakkabeeŽn 6:23
Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden.

2 MakkabeeŽn 7:6
Sprekende aldus: God de Here ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost worden; gelijk Mozes in zijn lied, hetwelk hij tegen hen in het aangezicht heeft betuigd, verklaart, zeggende: en over zijn dienstknechten zal hij vertroost worden.

2 MakkabeeŽn 7:22
Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam zijt voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;

2 MakkabeeŽn 9:13
En deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid meer bewees, aldus zeggende,

2 MakkabeeŽn 14:27
De koning zeer toornig geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men MakkabeŁs terstond gevangen zou zenden naar AntochiŽ.

2 MakkabeeŽn 14:34
En als hij zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende:

2 MakkabeeŽn 15:34
En zij allen opziende naar de hemel dankten de doorluchtige Here, zeggende: Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard.

3 MakkabeeŽn 1:12
Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, hield hij geenszins op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort het nochtans mij niet te geschieden; en hij vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de gehele tempel in te gaan.

3 MakkabeeŽn 2:14
Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.

3 MakkabeeŽn 3:4
Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal ruchtbaar, zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting.

3 MakkabeeŽn 6:21
Want als hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap zijn vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk der van ons leven beroofd heidenen over uw on