Vindplaatsen van het woord zee in de apocriefe geschriften (71 verzen):

3 Ezra 4:2
O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?

3 Ezra 4:15
Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.

3 Ezra 4:23
En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen;

4 Ezra 1:13
Ik heb u door de zee geleid, en in den beginne heb ik u vaste straten gemaakt. Mozes heb ik u tot een leidsman gegeven, en Ašron tot een priester.

4 Ezra 4:7
Toen zeide hij tot mij: Indien ik u vroeg en zeide: Hoeveel woningen zijn er in het hart der zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin des afgronds? of hoeveel aderen zijn er boven het firmament? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs?

4 Ezra 4:14
En spraken: Komt, laat ons heengaan en de zee beoorlogen, opdat zij voor ons wijke, en wij nog andere bossen maken.

4 Ezra 4:15
Desgelijks maakten de baren van de zee ook een aanslag, en zeiden: Komt, laat ons optrekken, en de bossen des velds beoorlogen, opdat wij ook daar een ander landschap voor ons maken.

4 Ezra 4:17
Desgelijks ook de aanslag van de baren der zee, want het zand stond vast, en heeft die verhinderd.

4 Ezra 4:19
Toen antwoordde ik en zeide: Zij hebben waarlijk beide ijdele aanslagen gehad, want de aarde is gegeven voor het bos, en een plaats voor de zee om haar baren te dragen.

4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.

4 Ezra 5:7
En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen nochtans zullen zij haar stem horen.

4 Ezra 5:25
En uit al die diepten der zee hebt gij u een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt gij u Sion geheiligd.

4 Ezra 7:3
En ik zeide: Spreek mijn God! en hij zeide tot mij: De zee is in een diepe plaats gesteld, opdat zij diep en groot zij,

4 Ezra 7:5
Want wie zou gaarne in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; indien hij niet door het enge ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen?

4 Ezra 9:34
En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een vat de spijs en de drank, wanneer hetgeen verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is,

4 Ezra 11:1
EN ik zag een droom, en zie een arend klom op van de zee, welke twaalf vleugelen van vederen had, en drie hoofden.

4 Ezra 12:11
De arend, die gij hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een gezicht gezien is door uw broeder DaniŽl;

4 Ezra 13:2
En ziet, daar stond een wind op van de zee, die al haar baren bewoog.

4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.

4 Ezra 13:25
Dit zijn de verklaringen van dit gezicht: Dat gij hebt gezien een man opklimmend uit het midden der zee.

4 Ezra 13:51
Toen zeide ik: O heersende Here, toon mij toch dit, waarom ik gezien heb, dat de man van het midden der zee opkwam. En hij zeide tot mij:

4 Ezra 13:52
Gelijk gij de dingen niet kondt doorgronden noch weten, die in de diepte der zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag.

4 Ezra 15:59
O ongelukkigen, gij zult over de zee wijken, en u zal daar weder ongeval ontmoeten.

4 Ezra 16:12
Het aardrijk beeft met zijn fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar baren zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aanschijn des Heren, en van de heerlijkheid zijner kracht.

4 Ezra 16:58
Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip.

4 Ezra 16:59
Die de zee besloten heeft in het midden der wateren, en de aarde gehangen heeft op de wateren door zijn woord.

Judith 2:14
En vernielde alle hoge steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men komt aan de zee.

Judith 2:18
En een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnašn; en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem uitermate zeer.

Judith 5:2
En hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten der Moabieten, en de krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.

Judith 5:12
En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.

Judith 5:26
En de geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en der Moabieten bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want zeiden zij, wij vrezen niet voor de kinderen IsraŽls, want ziet het is een volk waarin geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.

Judith 7:8
En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,

Boek der Wijsheid 5:23
Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, als uit een slinger der gramschap; het water der zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen heftig overvloeien.

Boek der Wijsheid 10:18
Zij heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water.

Boek der Wijsheid 14:3
Maar uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.

Boek der Wijsheid 19:7
En waar tevoren water stond, zag men droog land opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend veld.

Boek der Wijsheid 19:12
Want tot hun troost kwamen kwakkelen op uit de zee; doch de straffen kwamen over de zondaars;

Jezus Sirach 1:2
Wie zal het zand der zee en de droppelen van de regen en de dagen der eeuwen tellen?

Jezus Sirach 18:9
Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.

Jezus Sirach 24:6
In de baren der zee, en op de ganse aarde, en bij alle volken en natiŽn heb ik bezittingen.

Jezus Sirach 24:31
Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.

Jezus Sirach 24:35
En ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier, en mijn rivier is geworden tot een zee.

Jezus Sirach 29:21
Borgschap heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen gelijk een golf der zee.

Jezus Sirach 39:33
Het vuur en de zee, en de honger, en de dood; al deze dingen zijn tot wraak geschapen.

Jezus Sirach 40:10
Al wat van aarde is, keert wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weder naar de zee.

Jezus Sirach 43:26
Die de zee bevaren vertellen het gevaar daarvan, en wij zijn verwonderd als wij het met onze oren horen.

Jezus Sirach 44:23
En hem zou vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste der aarde.

Jezus Sirach 50:3
In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal zo veel.

Baruch 3:30
Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud?

Baruch 5:7
Want God heeft besloten, alle hoge bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd durende; en alle dalen te vervullen in gelijkheid der aarde; opdat IsraŽl zeker wandele in de heerlijkheid Gods.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:36
Tot welke gij gesproken hebt, dat gij hun zaad zult ver menigvuldigen gelijk de sterren des hemels, en gelijk het zand dat aan de oever der zee is.

Gebed van Manasse 1:3
Die de zee verzegeld hebt met uw gebiedend woord, en de afgrond besloten en verzegeld hebt door uw schrikkelijke en heerlijke naam.

Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn niet meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.

1 MakkabeeŽn 4:9
Gedenkt hoe onze vaderen zijn behouden in de Rode zee toen FaraŲ met grote macht hen vervolgde.

1 MakkabeeŽn 6:29
En van andere koningen en van de eilanden der zee kwam veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.

1 MakkabeeŽn 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 11:1
De koning van Egypte vergaderde veel krijgsvolk, gelijk daar is het zand aan de oever der zee en vele schepen, en hij zocht het koninkrijk van Alexander te bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.

1 MakkabeeŽn 11:8
De koning PtolomeŁs nu, de heerschappij verkregen hebbende over de zeesteden tot SeleuciŽ toe, dat aan de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.

1 MakkabeeŽn 13:29
En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op de zee varen.

1 MakkabeeŽn 14:5
En hij kreeg, boven al zijn heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden der zee een ingang vonden.

1 MakkabeeŽn 14:34
En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin.

1 MakkabeeŽn 15:1
En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan al het volk;

1 MakkabeeŽn 15:11
En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.

1 MakkabeeŽn 15:14
En hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee te zamen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of in trekken.

2 MakkabeeŽn 5:21
Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd talenten weggenomen, is haastig vertrokken naar AntiochiŽ, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan, door de hovaardigheid van zijn hart.

2 MakkabeeŽn 8:35
Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te AntiochiŽ, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.

2 MakkabeeŽn 9:8
Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,

2 MakkabeeŽn 12:4
En als zij, volgens het algemeen besluit der stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd.

3 MakkabeeŽn 2:7
Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij IsraŽl najaagde met wagens en menigte der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen hebben.

3 MakkabeeŽn 6:3
Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht IsraŽls een licht van uw barmhartigheid betoond.

3 MakkabeeŽn 7:17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.