Vindplaatsen van het woord zijner in de apocriefe geschriften (66 verzen):

3 Ezra 1:57
En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden het woord des Heren, gesproken door de mond van Jeremia;

4 Ezra 5:17
Waar zijt gij geweest, en waarom is uw gelaat zo droevig? Weet gij niet dat IsraŽl u bevolen is in het land zijner gevangenis?

4 Ezra 11:8
Gij zult niet allen tegelijk waken, een ieder slape op zijn plaats, en wake te zijner tijd.

4 Ezra 16:12
Het aardrijk beeft met zijn fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar baren zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aanschijn des Heren, en van de heerlijkheid zijner kracht.

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Judith 6:4
En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen niet ijdel zijn.

Judith 8:13
Want de diepte van het hart des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?

Judith 10:19
En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten haar op.

Judith 14:7
En Achior ziende al hetgeen de God IsraŽls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis IsraŽls toegevoegd tot op deze dag.

Judith 16:5
Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.

Boek der Wijsheid 1:6
Want de wijsheid is een menslievende geest, doch zal niet onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert, want God is een getuige zijner nieren, en een waarachtig opmerker zijns harten en een aanhoorder zijner tong.

Boek der Wijsheid 1:9
Want over de raadslagen der goddelozen zal onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden zal voor de Here komen, tot bestraffing zijner misdaden.

Boek der Wijsheid 5:10
Gelijk een schip varende door de baren des waters, waarvan, als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis door de baren.

Boek der Wijsheid 7:5
Want geen koning heeft een ander begin gehad zijner geboorte.

Boek der Wijsheid 7:26
Want zij is een afschijnsel des eeuwigen lichts, en een onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht, en een beeld zijner goedheid.

Boek der Wijsheid 13:1
VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking zijner werken de werkmeester erkend.

Jezus Sirach 4:6
Want als iemand u vervloekt in bitterheid zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft,

Jezus Sirach 6:15
Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner schoonheid.

Jezus Sirach 7:11
Belach de mens niet die in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.

Jezus Sirach 8:13
Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.

Jezus Sirach 10:4
De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is.

Jezus Sirach 11:28
Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.

Jezus Sirach 14:6
Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner boosheid.

Jezus Sirach 16:21
En wie kan zijn wegen bedenken? zij zijn gelijk een storm wind, welke de mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken is voor ons verborgen.

Jezus Sirach 16:22
Wie zal de werken zijner gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het verbond is verre, en onderzoeking aller dingen is in het einde.

Jezus Sirach 17:5
En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uit delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.

Jezus Sirach 17:8
En de uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking prijzen.

Jezus Sirach 17:11
Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem, en heeft tot hen gezegd:

Jezus Sirach 18:2
De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.

Jezus Sirach 19:19
De vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid. Een huisknecht zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het daarna doet, ver toornt degene, die hem voedt.

Jezus Sirach 20:17
Hoe menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit zijner goederen met geen rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem desgelijks evenveel.

Jezus Sirach 25:10
Een mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.

Jezus Sirach 25:16
De vreze des Heren is het begin zijner liefde, maar het geloof het begin zijner aankleving.

Jezus Sirach 26:1
GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal zijner dagen wordt dubbel.

Jezus Sirach 26:28
Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want het getal zijner jaren zal dubbel zijn.

Jezus Sirach 29:2
Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner tijd.

Jezus Sirach 31:26
Degene die heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.

Jezus Sirach 31:27
Die karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid is scherp.

Jezus Sirach 39:9
Hij zal de woorden zijner wijsheid als een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij de Here.

Jezus Sirach 39:11
Hij brengt de onderwijzing zijner leer te voorschijn, en in de wet van het verbond des Heren roemt hij.

Jezus Sirach 40:7
Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.

Jezus Sirach 45:27
Doch in het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner erfenis.

Jezus Sirach 46:2
Welke groot werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen opstonden, en om IsraŽl te brengen tot de bezitting van zijn erfdeel.

Jezus Sirach 48:10
Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel des Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob.

Jezus Sirach 49:17
En daar is geen man geweest als Jozef, een leidsman zijner broederen,

Jezus Sirach 50:13
Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Ašron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van IsraŽl;

Jezus Sirach 51:38
Werkt uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.

Baruch 3:24
O IsraŽl hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner woning!

Baruch 5:9
Want God zal IsraŽl uitvoeren met vreugde door het licht zijner heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem komt.

Esther (apocr.) 13:13
Want ik zou gewillig zijn geweest, ook de voetstappen zijner voeten te kussen, tot behoudenis van IsraŽl.

Esther (apocr.) 15:6
En als zij al de deuren ingegaan was, stond zij stil voor de koning, daar hij was gezeten op zijn koninklijke stoel, en bekleed was met al de kleding zijner heerlijkheid, geheel in het goud en kostelijke gesteenten, en was zeer verschrikkelijk.

1 MakkabeeŽn 2:19
En Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst zijner vaderen, en zijn geboden aannam;

1 MakkabeeŽn 2:53
Jozef heeft in de tijd zijner benauwdheid het gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.

1 MakkabeeŽn 2:70
En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen in Modin, en het ganse IsraŽl maakte over hem zeer grote rouw.

1 MakkabeeŽn 7:2
En het geschiedde, toen hij ging naar het koninklijke huis zijner vaderen, dat het krijgsvolk Antiochus en Lysias greep, om die tot hem te brengen.

1 MakkabeeŽn 9:19
En Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen te Modin.

1 MakkabeeŽn 10:67
En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 13:25
En Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 15:10
In het honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar het land zijner vaderen, en al de krijgsmachten kwamen te zamen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon waren.

2 MakkabeeŽn 5:10
En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch zijner vaderen graf mogen genieten.

2 MakkabeeŽn 6:30
En als hij nu door de slagen sterven zou, zeide hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap heeft, is bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware pijnen in mijn lichaam verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, om zijner vreze wil.

2 MakkabeeŽn 7:23
Daarom de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.

2 MakkabeeŽn 8:33
En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon zijner goddeloosheid verkregen.

2 MakkabeeŽn 15:30
En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest zijner medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid jegens zijn eigen volk altijd bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen.

3 MakkabeeŽn 5:2
En als hij dit gelast had, begaf hij zich weder tot goede sier te maken, en vergaderde de voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was.