Vindplaatsen van het woord zalf in de apocriefe geschriften (6 verzen):

4 Ezra 2:12
De boom des levens zal hun zijn tot een welriekende zalf; zij zullen noch arbeiden, noch moede worden.

Judith 10:3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.

Judith 16:10
Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.

Boek der Wijsheid 2:7
Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.

Susanna (Dan. 13) 1:17
En zij zeide tot haar maagden: Haalt mij nu zalf en zeep, en sluit de deuren van de hof, opdat ik mij mag wassen.

3 MakkabeeŽn 4:6
Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.