Vindplaatsen van het woord zeggen in de apocriefe geschriften (50 verzen):

3 Ezra 3:5
Laat ons ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven.

3 Ezra 8:83
En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:

4 Ezra 4:8
Zo zoudt gij mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet nedergedaald, noch tot nog toe in de hel; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen.

4 Ezra 4:28
Doch waarvan gij mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen.

4 Ezra 4:52
Toen antwoordde hij mij en zeide: Van de tekenen waarvan gij mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.

4 Ezra 5:11
En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Neen.

4 Ezra 5:13
Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo gij weder bidt en weent gelijk als nu, en zo gij zeven dagen vast, zo zult gij weder grotere horen dan deze.

4 Ezra 5:32
En hij zeide tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen.

4 Ezra 5:51
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen;

4 Ezra 5:52
Want gij zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die gij gebaard hebt, nu niet gelijk degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?

4 Ezra 5:53
En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, welke in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd des ouderdoms geboren worden, als de baarmoeder afneemt.

4 Ezra 6:33
En daarom heeft hij mij gezonden, om dit alles aan te tonen, en u te zeggen: Heb goede moed en vrees niet,

4 Ezra 8:2
Doch, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof gij het aardrijk vroegt, en het u zou zeggen, dat het zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden vat gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand der tegenwoordige wereld.

4 Ezra 9:14
En ik antwoordde en sprak: Ik heb voor deze gezegd, en ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen,

4 Ezra 10:9
Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar wassen.

4 Ezra 10:38
Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en ik zal u zeggen de dingen waarvoor gij vreest, want de Allerhoogste heeft u vele verborgenheden geopenbaard.

4 Ezra 11:38
Hoor gij, ik zal tot u spreken, en de Allerhoogste zal tot u zeggen:

4 Ezra 13:21
Ik zal u ook de verklaring van dit gezicht zeggen, en zal u openbaren hetgeen waarvan gij gesproken hebt.

Tobias (Tobit) 8:5
En Tobias begon te zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid, u moeten de hemelen loven, en al uw schepselen.

Tobias (Tobit) 13:20
En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:

Judith 8:29
Doch gijlieden zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht zijn.

Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.

Boek der Wijsheid 5:3
En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.

Boek der Wijsheid 7:15
En God heeft mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven zijn, want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert de wijzen recht.

Boek der Wijsheid 12:12
Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

Boek der Wijsheid 15:12
Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.

Jezus Sirach 13:7
Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

Jezus Sirach 20:16
Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk van mij.

Jezus Sirach 22:9
Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?

Jezus Sirach 25:9
Aan negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:

Jezus Sirach 36:12
Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken, die zeggen: Daar is niemand behalve wij.

Jezus Sirach 37:1
IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.

Jezus Sirach 39:20
De werken des Heren zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.

Jezus Sirach 39:25
Men mag niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen zijn tot hun gebruik geschapen.

Jezus Sirach 39:39
En men mag niet zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend worden.

Jezus Sirach 41:29
Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken;

Jezus Sirach 43:29
Wij zouden wel veel dingen zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, hij is het Al.

Baruch 6:63
Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.

Susanna (Dan. 13) 1:40
Doch deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons zulks niet zeggen. Dit getuigen wij.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:23
En de koning zeide tot DaniŽl: Zegt gij ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, gij kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan.

1 MakkabeeŽn 4:19
Als Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;

1 MakkabeeŽn 6:57
Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.

1 MakkabeeŽn 9:22
En hetgeen nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.

1 MakkabeeŽn 10:72
Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.

1 MakkabeeŽn 13:9
Voer gij onze oorlog, en wij zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.

1 MakkabeeŽn 13:18
Die zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gezonden heeft, zo is zijn broeder omgekomen.

2 MakkabeeŽn 2:32
Doch een kort begrip van hetgeen te zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring der zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift maakt.

2 MakkabeeŽn 4:2
En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.

3 MakkabeeŽn 5:30
En de overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.

3 MakkabeeŽn 6:9
Laat hen, die maar ijdelheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als gij uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.