Vindplaatsen van het woord zacharia in de apocriefe geschriften (8 verzen):

3 Ezra 1:9
Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.

3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

3 Ezra 6:1
IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.

3 Ezra 7:3
En de heilige werken gingen gelukkig voort, als de profeten Haggaï en Zacharia profeteerden.

3 Ezra 8:33
Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen.

3 Ezra 8:40
Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.

3 Ezra 8:45
Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.

4 Ezra 1:40
En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel des Heren genaamd is.