Vindplaatsen van het woord zerubbabel in het oude testament (21 verzen):

1 Kronieken 3:19
De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en SimeÔ; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster;

Ezra 2:2
Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en BaŽna. Dit is het getal der mannen des volks van IsraŽl.

Ezra 3:2
En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van SealthiŽl, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van IsraŽl, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.

Ezra 3:8
In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van SealthiŽl, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.

Ezra 4:2
Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.

Ezra 4:3
Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden der vaderen van IsraŽl zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God IsraŽls, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van PerziŽ, ons geboden heeft.

Ezra 5:2
Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van SealthiŽl, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.

Nehemia 7:7
Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en BaŽna. Dit is het getal der mannen van het volk van IsraŽl.

Nehemia 12:1
Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, den zoon van SealthiŽl, en Jesua, optogen: Seraja, Jeremia, Ezra,

Nehemia 12:47
Daarom gaf gans IsraŽl, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemia, de delen der zangers en der poortiers, van elk dagelijks op zijn dag; en zij heiligden voor de Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Ašron.

HaggaÔ 1:1
In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van HaggaÔ, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van SealthiŽl, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:

HaggaÔ 1:12
Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van SealthiŽl, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet HaggaÔ, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.

HaggaÔ 1:14
En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van SealthiŽl, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.

HaggaÔ 2:3
Spreek nu tot Zerubbabel, den zoon van SealthiŽl, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende:

HaggaÔ 2:5
Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen;

HaggaÔ 2:22
Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen.

HaggaÔ 2:24
Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van SealthiŽl, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen.

Zacharia 4:6
Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.

Zacharia 4:7
Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!

Zacharia 4:9
De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de HEERE der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft.

Zacharia 4:10
Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.