Vindplaatsen van het woord zevende in de apocriefe geschriften (18 verzen):

3 Ezra 5:47
En toen nu de zevende maand kwam, en de kinderen IsraŽls elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.

3 Ezra 5:53
En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende maand af, begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.

3 Ezra 8:6
In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings) zo gingen zij uit BabyloniŽ, op de nieuwe maan der eerste maand,

3 Ezra 9:37
En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit IsraŽl zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de kinderen IsraŽls waren in hun woonplaatsen.

3 Ezra 9:40
En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de ganse menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende maand.

4 Ezra 6:42
De derde dag nu hebt gij de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel der aarde, doch zes delen hebt gij droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor u zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.

4 Ezra 6:47
Op de vijfde dag zeidet gij tot het zevende deel, waarin de wateren verzameld waren, dat het zou voortbrengen gedierte, vogelen, en vissen, en het geschiedde.

4 Ezra 6:50
En gij hebt die van elkander gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten.

4 Ezra 6:52
De Leviathan nu hebt gij het zevende deel des waters gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding degene, die gij wilt, en wanneer gij wilt.

Jezus Sirach 17:5
En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uit delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.

Baruch 1:2
In het vijfde jaar, de zevende dag der maand, op die tijd, in welke de ChaldeeŽn Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over DaniŽl, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet DaniŽl zat daar.

1 MakkabeeŽn 6:53
En zij hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten.

1 MakkabeeŽn 10:21
En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk, en maakte vele wapenen gereed.

2 MakkabeeŽn 6:11
En enige anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag.

2 MakkabeeŽn 12:38
En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.

2 MakkabeeŽn 15:4
En als dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.

3 MakkabeeŽn 6:35
De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd verlost heeft.