Vindplaatsen van het woord zoon in de apocriefe geschriften (163 verzen):

3 Ezra 1:3
En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in IsraŽl bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;

3 Ezra 1:5
Naar het voorschrift Davids; de koning IsraŽls, en naar de heerlijke instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling der oversten uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de kinderen IsraŽls dienen.

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieŽntwintig jaren oud was.

3 Ezra 1:43
En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;

3 Ezra 5:5
De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Ašron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van SalathiŽl, uit den huize Davids, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda.

3 Ezra 5:24
De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeŽnvijftig.

3 Ezra 5:37
Doch zij konden hun steden en geslachten niet verhalen, hoe zij uit IsraŽl waren. De kinderen van Dalan, de zoon van BaŽma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeŽnvijftig;

3 Ezra 5:48
En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van SealthiŽl en zijn broeders stonden op.

3 Ezra 5:56
En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van SealthiŽl, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en KadmiŽl zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 6:1
IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet HaggaÔ en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God IsraŽls.

3 Ezra 6:2
Toen stond op Zerubabel, de zoon van SealthiŽl, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl de profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.

3 Ezra 8:1
EN na deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,

3 Ezra 8:2
De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Ašron, de eerste priester.

3 Ezra 8:32
Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: GamaliŽl; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.

3 Ezra 8:34
Uit de kinderen van Fašt Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.

3 Ezra 8:35
Uit de kinderen van ZathoŽ: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.

3 Ezra 8:36
Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.

3 Ezra 8:37
Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van MichaŽl, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:38
Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.

3 Ezra 8:39
Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.

3 Ezra 8:40
Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.

3 Ezra 8:42
Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:48
En zij brachten tot ons, naar de sterke hand onzes Heren, enige verstandige mannen uit de kinderen van MoŲli, de zoon van Levi, de zoon van IsraŽl, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;

3 Ezra 8:63
En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.

3 Ezra 8:64
En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en MoŽth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;

3 Ezra 8:93
En Jechonia, de zoon van JeŽli, uit de kinderen IsraŽls riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit de volken des lands.

3 Ezra 9:1
EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.

3 Ezra 9:14
Toen nam Jonathas, de zoon van AzaŽl, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en SabbateŁs waren hun mede-rechters.

3 Ezra 9:19
Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broederen, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.

4 Ezra 1:1
HET tweede boek van de profeet Ezra, de zoon van Barajas, de zoon van Azaria, de zoon van Helkia, de zoon van Sadania, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitob,

4 Ezra 1:2
De zoon van Amaria, de zoon van Hasaria, de zoon van Merasoth, de zoon van Sarchias, de zoon van Hazzi, de zoon van Bukki, de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar;

4 Ezra 1:3
De zoon van Ašron, uit de stam van Levi: welke Ezra een gevangene geweest is in het land der Meden, onder het koninkrijk van Artaxerxes, de koning der Perzen.

4 Ezra 2:47
En hij antwoordde mij en zeide: Het is de Zoon Gods, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hogelijk te verheffen, die zo kloekmoedig voor de naam des Heren gestaan hadden.

4 Ezra 7:28
Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

4 Ezra 7:29
En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben.

4 Ezra 9:45
En het is geschied na dertig jaren, dat God mij, uw dienst maagd verhoord heeft, en hij heeft mijn vernedering gezien, en hij heeft mijn angst aangemerkt, en hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer.

4 Ezra 10:1
EN het is geschied, toen mijn zoon in zijn slaapkamer ging, dat hij neergevallen en gestorven is.

4 Ezra 10:8
En nu, waar wij allen treuren en droevig zijn, daar wij allen bedroefd zijn, zo treurt gij alleen over een zoon.

4 Ezra 10:46
En het is gebeurd, dat Salomo na dertig jaren de stad heeft gebouwd en offeranden heeft geofferd, toen is het geschied dat de onvruchtbare een zoon gebaard heeft.

4 Ezra 10:48
En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en nedergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen.

4 Ezra 10:49
En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.

4 Ezra 13:32
En als deze dingen geschieden, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die gij als een man hebt zien opkomen.

4 Ezra 13:37
Doch deze mijn Zoon zal de dingen bestraffen, die de volken uitgevonden hebben, namelijk deze hun goddeloosheden, welke het onweder nabij komen vanwege hun kwade gedachten, en pijnigingen, waarmee zij zullen beginnen gepijnigd te worden,

4 Ezra 13:52
Gelijk gij de dingen niet kondt doorgronden noch weten, die in de diepte der zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag.

4 Ezra 16:39
Gelijk een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, een uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeŽn door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo vertoeven zij niet een ogenblik;

Tobias (Tobit) 1:1
HET Boek der geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van AnaniŽl, de zoon van AduŽl, de zoon van GabaŽl, uit het zaad van AzaŽl, uit de stam van Naftali.

Tobias (Tobit) 1:17
En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.

Tobias (Tobit) 1:23
En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.

Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van AnaŽl, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

Tobias (Tobit) 1:25
En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.

Tobias (Tobit) 2:1
EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,

Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.

Tobias (Tobit) 3:11
Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 3:20
Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.

Tobias (Tobit) 3:25
En RafaŽl werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van RaguŽl, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en AsmodeŁs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van RaguŽl, van haar opperzolder afgekomen.

Tobias (Tobit) 4:2
En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, zeide hij:

Tobias (Tobit) 4:21
En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, die ik aan GabaŽl, de zoon van Gabrias te Ragis in MediŽ, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk is voor hem.

Tobias (Tobit) 5:14
En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.

Tobias (Tobit) 5:15
Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer broederen.

Tobias (Tobit) 5:21
Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Tobias (Tobit) 5:26
Och of dat geld nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.

Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

Tobias (Tobit) 7:7
En RaguŽl sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.

Tobias (Tobit) 10:3
En hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, dewijl hij zo lang vertoeft.

Tobias (Tobit) 10:8
Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Tobias (Tobit) 11:7
Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en RafaŽl zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.

Tobias (Tobit) 11:9
En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

Tobias (Tobit) 11:10
En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.

Tobias (Tobit) 11:11
En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:

Tobias (Tobit) 11:15
Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.

Tobias (Tobit) 11:16
En zijn zoon verblijd zijnde ging in,

Tobias (Tobit) 11:19
En Achiachar en Nasbas, zijns broeders zoon, kwamen ook tot hem.

Tobias (Tobit) 12:1
EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.

Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar MediŽ, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in MediŽ zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.

Tobias (Tobit) 14:9
En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen zullen zeker geschieden, die de profeet Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief, en zijt rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.

Tobias (Tobit) 14:10
Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.

Judith 6:11
En stelden hem voor de oversten van hun stad, welke op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van GothoniŽl, en Charmis, de zoon van MalchiŽl.

Judith 8:1
EN in die dagen hoorde zulks Judith, een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van OziŽl, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van NathanaŽl, de zoon van SalamiŽl, de zoon van SarasadaÔ, de zoon van IsraŽl.

Judith 8:15
Doch stelt gij de raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.

Boek der Wijsheid 2:18
Want indien de rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand dergenen die hem tegenstaan.

Boek der Wijsheid 9:5
Want ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht en der wetten.

Boek der Wijsheid 10:5
Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.

Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.

Jezus Sirach 4:11
En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.

Jezus Sirach 7:3
Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig hetzelve maaien.

Jezus Sirach 22:3
Het is des vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.

Jezus Sirach 30:1
DIE zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd worde.

Jezus Sirach 30:2
Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde lieden zal hij van hem roemen.

Jezus Sirach 30:3
Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.

Jezus Sirach 30:7
Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd.

Jezus Sirach 30:8
Een ongetemd paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig.

Jezus Sirach 30:13
Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.

Jezus Sirach 33:19
Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken.

Jezus Sirach 34:21
Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld der armen.

Jezus Sirach 45:28
En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijk heid, omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.

Jezus Sirach 45:31
En gelijk, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms Ašron toegelegd en zijn zaad.

Jezus Sirach 46:1
JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieŽn.

Jezus Sirach 46:9
En ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om de boze murmurering te stillen.

Jezus Sirach 47:14
Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.

Jezus Sirach 47:27
Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte IsraŽl zondigende, en gaf EfraÔm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;

Jezus Sirach 48:10
Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel des Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob.

Jezus Sirach 49:14
Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weder hebben gebouwd, en de heilige tempel opgericht, welke de Here werd toebereid tot een eeuwige heerlijkheid.

Jezus Sirach 50:1
SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.

Jezus Sirach 50:27
Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand en der wetenschap; welke de wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.

Jezus Sirach 51:1
<<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.

Baruch 1:1
DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft in BabyloniŽ.

Baruch 1:3
En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda;

Baruch 1:7
En zij zonden het naar Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan al het volk, dat met hem te Jeruzalem gevonden werd;

Baruch 1:8
Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.

Baruch 1:11
En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.

Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.

Baruch 2:3
Zodat wij eten zouden, de een het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn dochter.

Esther (apocr.) 11:1
IN het vierde jaar toen PtolomeŁs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zeide dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon PtolomeŁs deze tegenwoordige brief der Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van PtolomeŁs, te Jeruzalem die overgezet had;

Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van JaÔr, de zoon van SimeÔ, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;

Esther (apocr.) 12:6
Haman, de zoon van Ammedatha van Buga was heerlijk voor de koning, en zocht Mordechai en zijn volk leed te doen, om de twee kamerlingen van de koning.

Esther (apocr.) 16:10
Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een MacedoniŽr, waarlijk vreemd van het bloed der Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiŽn bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,

Esther (apocr.) 16:17
Gij zult dan weldoen, dat gij de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt.

1 MakkabeeŽn 1:1
En het geschiedde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de MacedoniŽr, die uit het land Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had;

1 MakkabeeŽn 1:11
En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.

1 MakkabeeŽn 2:1
In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.

1 MakkabeeŽn 2:26
En hij ijverde voor de wet, gelijk eertijds Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.

1 MakkabeeŽn 3:1
En Judas, die genoemd werd MakkabeŁs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;

1 MakkabeeŽn 3:33
En om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou wederkeren.

1 MakkabeeŽn 3:38
Lysias nu verkoor PtolomeŁs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, machtige mannen onder de vrienden des konings;

1 MakkabeeŽn 4:30
En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van IsraŽl, gij, die de aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.

1 MakkabeeŽn 5:18
En hij liet Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria tot oversten des volks met het overige krijgsvolk in Judea tot derzelver bewaring.

1 MakkabeeŽn 5:56
Hoorde Jozefus, de zoon van Zacharias, en Azaria, oversten van het krijgsvolk, de mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en zeiden:

1 MakkabeeŽn 6:2
En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van MacedoniŽ, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;

1 MakkabeeŽn 6:15
En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.

1 MakkabeeŽn 6:17
En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.

1 MakkabeeŽn 6:55
Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn,

1 MakkabeeŽn 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 8:17
En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken.

1 MakkabeeŽn 10:1
En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in PtolomaÔs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 10:67
En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 11:38
En daar was een zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar SimalkuŽ, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;

1 MakkabeeŽn 11:69
En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.

1 MakkabeeŽn 12:16
Zo hebben wij dan verkoren Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en gemeenschap van wapenen met hen weder te vernieuwen.

1 MakkabeeŽn 13:11
En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.

1 MakkabeeŽn 13:54
Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al het krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.

1 MakkabeeŽn 14:22
En wij hebben geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.

1 MakkabeeŽn 14:29
Dat Simon, de zoon van Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn broeders, zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt.

1 MakkabeeŽn 15:1
En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan al het volk;

1 MakkabeeŽn 16:11
En PtolomeŁs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,

1 MakkabeeŽn 16:15
En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.

2 MakkabeeŽn 2:21
En aangaande de oorlogen, die wij gehad hebben tegen Antiochus Epifanes, en zijn zoon Eupator,

2 MakkabeeŽn 3:5
En als hij Onias niet kon overwinnen, kwam hij tot Apollonius, de zoon van ThraseŁs, die in die tijd overste was van Celo-SyriŽ en FeniciŽ.

2 MakkabeeŽn 3:11
En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.

2 MakkabeeŽn 4:21
En als Apollonius, de zoon van MenestheŁs, in Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij te Joppe gekomen zijnde, voorts gereisd is naar Jeruzalem.

2 MakkabeeŽn 4:45
En MenelaŁs, nu verlaten zijnde, beloofde veel geld aan PtolomeŁs, de zoon van DorymeŁs, opdat hij de koning zou overreden.

2 MakkabeeŽn 7:26
En als hij met vele woorden haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe te bewegen.

2 MakkabeeŽn 7:27
En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,

2 MakkabeeŽn 8:9
Deze verkoos terstond Nicanor, de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend man uit allerlei natiŽn, om het ganse Joodse volk uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring hebbende in krijgszaken.

2 MakkabeeŽn 9:25
Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciŽn reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder is geschreven.

2 MakkabeeŽn 9:26
Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.

2 MakkabeeŽn 9:29
En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot PtolomeŁs Filometor.

2 MakkabeeŽn 10:10
Doch nu zullen wij verklaren hetgeen onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, geschied is, kortelijk saamvattende de gedurige ellende der oorlogen.

2 MakkabeeŽn 12:2
Doch de oversten van die plaatsen, TimotheŁs en Apollonius, de zoon van GenneŁs, en bovendien ook Hieronymus, en Demofon, en benevens deze Nicanor, overste van Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven, en hun dingen in stilte doen.

2 MakkabeeŽn 14:1
Na de tijd van drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;

3 MakkabeeŽn 1:4
Maar DositheŁs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, doch die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.