Vindplaatsen van het woord zaaier in het nieuwe testament (6 verzen):

Mattheüs 13:3
En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

Mattheüs 13:18
Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.

Marcus 4:3
Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.

Marcus 4:14
De zaaier is, die het Woord zaait.

Lukas 8:5
Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.

2 Korinthiërs 9:10
Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;