Vindplaatsen van het woord zebadja in het oude testament (9 verzen):

1 Kronieken 8:15
En Zebadja, en Arad, en Eder,

1 Kronieken 8:17
En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

1 Kronieken 12:7
En JoŽla en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.

1 Kronieken 26:2
Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,

1 Kronieken 27:7
De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broeder van Joab, en na hem Zebadja, zijn zoon; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

2 Kronieken 17:8
En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en AsaŽl, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram.

2 Kronieken 19:11
En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak des HEEREN; en Zebadja, de zoon van IsmaŽl, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met den goede zijn.

Ezra 8:8
En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van MichaŽl; en met hem tachtig manspersonen.

Ezra 10:20
En van de kinderen van Immer: Hanani en Zebadja.