Vindplaatsen van het woord zichri in het oude testament (12 verzen):

Exodus 6:20
En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.

1 Kronieken 8:19
En Jakim, en Zichri, en Zabdi,

1 Kronieken 8:23
En Abdon, en Zichri, en Hanan,

1 Kronieken 8:27
En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

1 Kronieken 9:15
En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;

1 Kronieken 26:25
Maar zijn broeders van EliŽzer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

1 Kronieken 27:16
Doch over de stammen van IsraŽl waren dezen: over de Rubenieten was EliŽzer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;

2 Kronieken 17:16
Naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.

2 Kronieken 23:1
Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja, den zoon van Jeroham en IsmaŽl, den zoon van Johanan, en Azarja, den zoon van Obed, en Maaseja, den zoon van Adaja, en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond.

2 Kronieken 28:7
En Zichri, een geweldig man van EfraÔm, sloeg Maaseja, den zoon des konings, dood, en Azrikam, den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den koning.

Nehemia 11:9
En JoŽl, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad.

Nehemia 12:17
Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai;