Jheronimus Bosch ca. 1450 – 1516

Hooiwagen-triptiek

olieverf op paneel (135 × 200 cm) — ca. 1516
Museum Museo del Prado, Madrid

Biografie van Jheronimus Bosch

Bestel een reproductie

Dit werk is gekoppeld aan Genesis 3:6

Het drieluik toont hoe zonde, beginnend met de oerzonde, uiteindelijk eindigt in de hel. De rijkelijk beladen hooiwagen in het midden waar om gestreden wordt, symboliseert hebzucht, een van de zeven hoofdzonden. Duivels trekken de kar naar rechts, richting hel.

Die hebzucht leidt tot allerlei ellende, zoals ruzie en zelfs moord, getuige de dode man midden op de voorgrond. Helemaal vooraan in het midden wordt een kwakzalver getoond. Het hooi dat uit zijn zak steekt geeft aan dat hij kennelijk goed verdiende. Dat geldt ook voor de dikke monnik rechts, die zichtbaar teveel aandacht heeft gehad voor wereldse geneugten.

Achter de hooiwagen rijden enkele zelfgenoegzame vooraanstaande lieden nietsvermoedend hun straf tegemoet.

Bosch probeerde waarschijnlijk de kijker aan te sporen goed op zijn tellen te letten. Een onoplettende zou makkelijk voor allerlei verleidingen kunnen vallen en daardoor onherroepelijk in de hel belanden.

Op de buitenzijde van het drieluik wordt een marskramer getoond. Die stond bij Bosch symbool voor de reis die de mens gedurende zijn leven maakt.

Een vrijwel identiek drieluik bevindt zich ook in Spanje, in het Escorial.