Vindplaatsen van het woord abraham in de apocriefe geschriften (17 verzen):

4 Ezra 1:39
Aan hetwelk ik tot leidslieden zal geven Abraham, Izaäk, en Jakob, en Hosea, en Amos, en Micha, en Joël, en Obadja, en Jona,

4 Ezra 3:13
En als zij nu ongerechtigheid voor u bedreven, zo hebt gij u een man uit dezen verkoren, wiens naam was Abraham.

4 Ezra 6:8
En hij zeide tot mij: Van Abraham tot op Izaäk, toen Jakob en Ezau van hem geboren zijn, zo hield de hand Jakobs van het begin de verzenen van Ezau;

4 Ezra 7:36
En ik zeide: Abraham heeft eerst voor de Sodomieten gebeden, en Mozes voor de vaderen, die in de woestijn gezondigd hebben.

Tobias (Tobit) 4:13
Kind, wacht u van alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, dewijl wij kinderen der profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaderen van ouds af; gedenk, kind, dat deze allen vrouwen genomen hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.

Judith 8:22
Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.

Jezus Sirach 44:20
Abraham is geweest een grootvader van menigte der volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.

Jezus Sirach 44:24
En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, zijns vaders wil, de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.

Baruch 2:34
En ik zal hen doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.

Esther (apocr.) 13:16
En nu, Here God, gij Koning en God van Abraham, spaar uw volk, overmits zij ons aanzien om ons te verderven, en begerig zijn om uw erve uit te roeien, die gij van den beginne verkoren hebt;

Esther (apocr.) 14:18
En uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in u, o Here, God van Abraham.

Gebed van Manasse 1:1
Here, almachtige God, gij God onzer vaderen van Abraham, Izaäk, en Jakob, en van hun zaad.

Gebed van Manasse 1:8
Gij, Here, die een God zijt der rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, welke tegen u niet hebben gezondigd; maar gij hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.

1 Makkabeeën 2:52
Is Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?

1 Makkabeeën 12:21
Daar is in de schriften gevonden, aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham.

2 Makkabeeën 1:2
God doe ulieden goed en gedenke aan zijn verbond dat Hij gemaakt heeft met Abraham, Izaäk en Jakob, zijn getrouwe dienstknechten.

3 Makkabeeën 6:2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!