Vindplaatsen van het woord heuvelen in de apocriefe geschriften (4 verzen):

4 Ezra 15:42
En zullen de steden nederwerpen, en de muren, en de bergen, en de heuvelen, en de bomen der bossen, en het gras der velden, en hun vruchten.

Judith 7:4
De kinderen Israƫls nu als zij hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan.

Judith 16:5
Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.

Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:75
Gij bergen en heuvelen looft de Here, prijst en roemt hem in der eeuwigheid.