woord OT NT apo Bijbel
haar22183336923243

Vindplaatsen van haar in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 692 keer voor, in 452 verzen.

3 Ezra 1:55
En verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande.

3 Ezra 2:19
Indien dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.

3 Ezra 4:15
Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.

3 Ezra 4:19
Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.

3 Ezra 4:30
En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.

3 Ezra 4:31
En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

3 Ezra 4:34
O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.

3 Ezra 4:36
De gehele aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.

3 Ezra 4:39
En bij haar is geen aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.

3 Ezra 4:40
En in haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!

3 Ezra 8:26
En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.

3 Ezra 8:94
En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.

4 Ezra 1:8
Doch schud gij het haar uws hoofds af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen.

4 Ezra 1:28
Dit zegt de almachtige Here: Heb ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochteren, en als een voedster haar kleine kinderen?

4 Ezra 1:30
Ik heb u zo verzameld, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugelen verzamelt. Nu dan, wat zal ik u doen? Ik zal u van mijn aangezicht verwerpen.

4 Ezra 4:19
Toen antwoordde ik en zeide: Zij hebben waarlijk beide ijdele aanslagen gehad, want de aarde is gegeven voor het bos, en een plaats voor de zee om haar baren te dragen.

4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.

4 Ezra 4:40
En hij antwoordde, en zeide tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden.

4 Ezra 4:42
Want gelijk een die baart zich haast, om van de nood der geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven hetgeen haar bevolen is.

4 Ezra 5:7
En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen nochtans zullen zij haar stem horen.

4 Ezra 5:46
En hij zeide tot mij: Vraag de baarmoeder ener vrouw, en zeg tot haar: Zo gij baart, waarom doet gij dat op verscheiden tijd? Bid haar dan dat zij er tien op eenmaal geve.

4 Ezra 5:52
Want gij zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die gij gebaard hebt, nu niet gelijk degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?

4 Ezra 6:16
Daar men dan van die dingen spreekt, zo beeft zij en wordt bewogen, want zij weet dat haar einde moet veranderd worden.

4 Ezra 6:17
En als ik het gehoord had, zo stond ik op mijn voeten, en ik hoorde, en zie een stem sprak, en haar geluid was als het geluid van vele wateren.

4 Ezra 7:4
Maar haar ingang is in een enge plaats gesteld, opdat zij de rivieren gelijk zou zijn.

4 Ezra 7:32
En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.

4 Ezra 8:9
Hetzelve nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkander bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te harer tijd weder hetgeen in haar gewassen is.

4 Ezra 9:37
Doch de wet is niet vergaan, maar is gebleven in haar werking.

4 Ezra 9:38
En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en weende met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar klederen waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.

4 Ezra 9:39
Toen liet ik mijn gedachten varen, waarin ik was, en ik keerde mij tot haar, en zeide:

4 Ezra 9:42
En ik zeide tot haar: Wat is u overkomen? zeg het mij toch.

4 Ezra 10:5
Toen liet ik mijn redenen, waarin ik bezig was, varen, en sprak met gramschap tot haar, en zeide:

4 Ezra 10:9
Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar wassen.

4 Ezra 10:10
En uit haar zijn van den beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing.

4 Ezra 10:13
Doch de aarde doet naar de wijze der aarde, en de tegenwoordige menigte keert weder in haar, gelijk zij daaruit gekomen is.

4 Ezra 10:14
Zo zeg ik u, gelijk gij met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van den beginne gebouwd heeft.

4 Ezra 10:19
Toen sprak ik verder met haar en zeide:

4 Ezra 10:23
En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten.

4 Ezra 10:25
En het is geschied, toen ik met haar sprak, dat haar aangezicht en gedaante haastig blinkende werd, en haar gezicht werd glinsterend, zodat ik voor haar vreesde, en dacht wat dat zijn mocht.

4 Ezra 10:48
En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en nedergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen.

4 Ezra 10:49
En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.

4 Ezra 10:50
En nu ziet de Allerhoogste, dat gij van harte bedroefd zijt, en omdat gij van ganser harte bekommerd zijt over haar, zo heeft hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel.

4 Ezra 11:13
En het geschiedde, toen zij heerste, dat haar einde kwam, en haar plaats werd niet meer gevonden. En de volgende is opgestaan en heerste, en zij heeft het lange tijd gehouden.

4 Ezra 11:15
En een stem is tot haar gekomen; zeggende:

4 Ezra 11:20
En ik zag, en ziet, de volgende vederen werden mettertijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen nochtans in korte tijd.

4 Ezra 11:24
En ik zag, en ziet, van de zes vederkens zijn de twee afgescheiden, en zijn onder het hoofd gebleven dat ter rechterzijde was, maar de vier bleven aan haar plaats.

4 Ezra 11:39
Zijt gij niet het dier, dat overgebleven is van de vier dieren, die ik de heerschappij had gegeven in mijn wereld, opdat naar haar het einde der tijden zou komen?

4 Ezra 11:46
Opdat de gehele aarde weder verkwikt worde, en tot zichzelf kome, van uw geweld bevrijd zijnde, en dat zij mag hopen op het oordeel en de barmhartigheid desgenen die haar gemaakt heeft.

4 Ezra 13:2
En ziet, daar stond een wind op van de zee, die al haar baren bewoog.

4 Ezra 14:10
Want de wereld heeft haar jeugd verloren, en de tijden genaken om oud te worden.

4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.

4 Ezra 15:6
Omdat ongerechtigheid de overhand genomen heeft over de ganse aarde, en haar schadelijke werken zijn vervuld geworden.

4 Ezra 15:34
Ziet, daar komen wolken van het oosten en noorden tot in het zuiden, haar aanzien is zeer gruwzaam, vol toorn en onweder.

4 Ezra 15:44
Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren.

4 Ezra 15:45
En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben.

4 Ezra 15:46
En gij Azië, die een gezellin zijt van de hoop Babylons, en een eer zijt van haar persoon,

4 Ezra 15:47
Wee u, gij ellendige, overmits gij u haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochteren versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar boelen, die met u altijd begeerd hebben te hoereren.

4 Ezra 15:48
Gij hebt de gehate stad altijd willen navolgen in al haar werken en vonden, daarom spreekt de Here:

4 Ezra 16:12
Het aardrijk beeft met zijn fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar baren zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aanschijn des Heren, en van de heerlijkheid zijner kracht.

4 Ezra 16:34
De maagden zullen treuren, omdat zij geen bruidegoms hebben; de vrouwen zullen treuren, omdat zij geen mannen hebben; haar dochters zullen treuren, omdat zij geen hulp hebben.

4 Ezra 16:35
Haar bruidegoms zullen in de krijg omkomen, en haar mannen zullen door honger verdwijnen.

4 Ezra 16:39
Gelijk een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, een uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeën door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo vertoeven zij niet een ogenblik;

4 Ezra 16:40
Zo zullen de ongevallen niet vertoeven op aarde te komen, en de wereld zal zuchten, en de smarten zullen haar omvangen.

4 Ezra 16:51
Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.

4 Ezra 16:57
En door zijn woord zijn de sterren gefundeerd, en hij weet haar getal.

4 Ezra 16:58
Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip.

Tobias (Tobit) 1:9
En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.

Tobias (Tobit) 2:13
En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een bokje.

Tobias (Tobit) 2:14
En toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven zoude.

Tobias (Tobit) 2:15
En ik werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij u is.

Tobias (Tobit) 3:8
Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.

Tobias (Tobit) 3:9
En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?

Tobias (Tobit) 3:25
En Rafaël werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.

Tobias (Tobit) 4:3
Kind, indien ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet.

Tobias (Tobit) 4:4
Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in haar lichaam,

Tobias (Tobit) 4:5
Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf haar nevens mij in één graf.

Tobias (Tobit) 5:28
En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.

Tobias (Tobit) 6:12
Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.

Tobias (Tobit) 6:13
Want u komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.

Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.

Tobias (Tobit) 6:15
Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.

Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

Tobias (Tobit) 6:21
Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.

Tobias (Tobit) 6:22
En vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.

Tobias (Tobit) 6:23
En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.

Tobias (Tobit) 7:1
EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.

Tobias (Tobit) 7:11
Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.

Tobias (Tobit) 7:12
En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.

Tobias (Tobit) 7:14
En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.

Tobias (Tobit) 7:15
En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.

Tobias (Tobit) 7:18
Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin.

Tobias (Tobit) 7:19
En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,

Tobias (Tobit) 7:20
En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde voor deze uw droefheid, heb goede moed, dochter.

Tobias (Tobit) 8:1
EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.

Tobias (Tobit) 8:8
Beveel dan dat men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.

Tobias (Tobit) 8:11
Zend een der dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven, en het niemand wete.

Tobias (Tobit) 10:6
En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.

Tobias (Tobit) 10:8
Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,

Tobias (Tobit) 10:12
En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.

Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.

Tobias (Tobit) 11:6
En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:

Tobias (Tobit) 11:9
En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 13:20
En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:

Judith 1:5
En maakte haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen, en dezer poorten breedte van veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.

Judith 1:14
En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.

Judith 4:16
En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.

Judith 8:2
En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.

Judith 8:4
En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaren en vier maanden.

Judith 8:5
En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen ener weduwe.

Judith 8:6
En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen der vreugde van het huis Israëls.

Judith 8:7
En zij was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.

Judith 8:8
En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:25
En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.

Judith 8:30
En Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden weder uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde krijgsordeningen.

Judith 9:1
EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:

Judith 10:2
Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.

Judith 10:3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.

Judith 10:4
En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.

Judith 10:5
En zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar vaten om en om, en legde ze deze op.

Judith 10:7
Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.

Judith 10:8
En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,

Judith 10:9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.

Judith 10:10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

Judith 10:11
Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht der Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?

Judith 10:14
Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.

Judith 10:15
En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 10:17
En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen uit, en brachten haar in de tent.

Judith 10:18
En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.

Judith 10:19
En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten haar op.

Judith 11:1
EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, de koning der ganse aarde, heeft begeerd te dienen.

Judith 11:18
Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:

Judith 11:20
En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden.

Judith 12:1
EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn wijn.

Judith 12:3
En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand van uw geslacht onder ons.

Judith 12:5
En de dienaars van Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.

Judith 12:6
En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.

Judith 12:8
En als zij weder opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen haars volks.

Judith 12:9
En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar haar spijs bracht tegen de avond.

Judith 12:11
Want zie, het is schande voor ons dat wij zodanige vrouw zouden laten gaan, zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.

Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.

Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.

Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.

Judith 12:17
En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt met ons vrolijk.

Judith 12:19
En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd bereid had.

Judith 12:20
En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.

Judith 13:4
Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten.

Judith 13:5
En Judith staande voor zijn bed, zeide in haar hart:

Judith 13:7
En zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:

Judith 13:9
En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed.

Judith 13:11
En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.

Judith 13:12
En zij beiden gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op de berg der stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten.

Judith 13:14
En het geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten der stad bijeen.

Judith 13:15
En zij liepen allen tezamen van de minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open, en ontvingen haar.

Judith 13:16
En zij ontstaken vuur om te lichten, en omringden haar.

Judith 13:23
En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij, o dochter, voor de hoogste God, boven alle vrouwen, die op de aarde zijn.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:15
En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.

Judith 15:6
En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,

Judith 15:9
En Joachim, de hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.

Judith 15:10
En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden tot haar:

Judith 15:13
En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde dat op dezelve.

Judith 15:14
En al de vrouwen Israëls liepen te zamen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden.

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:1
EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder gans Israël, en het gehele volk zong deze lofzang haar na.

Judith 16:8
Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.

Judith 16:10
Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.

Judith 16:11
Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.

Judith 16:12
De Perzen beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid.

Judith 16:23
En Judith hing op in de tempel al de vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Here.

Judith 16:25
En na die dagen trok een iegelijk weder naar zijn erve, en Judith kwam weder naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.

Judith 16:26
En zij was in haar tijd zeer geëerd in het gehele land.

Judith 16:27
En velen begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.

Judith 16:28
En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.

Judith 16:29
En zij deelde haar goederen, eer zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar geslacht.

Boek der Wijsheid 2:4
En onze naam wordt mettertijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.

Boek der Wijsheid 4:2
Als zij tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en gaat zij weg, zo verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die onbevlekt zijn, gewonnen heeft.

Boek der Wijsheid 4:9
Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.

Boek der Wijsheid 6:12
Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.

Boek der Wijsheid 6:13
Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren gekend te worden.

Boek der Wijsheid 6:14
Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden zitten.

Boek der Wijsheid 6:15
Want aan haar te gedenken is de volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn.

Boek der Wijsheid 6:17
Want haar beginsel is de ware begeerte der onderwijzing, en de bezorging van onderwezen te worden is liefde,

Boek der Wijsheid 6:18
En de liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,

Boek der Wijsheid 6:22
Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte naarstig naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.

Boek der Wijsheid 7:8
Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar.

Boek der Wijsheid 7:9
Ik vergeleek geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien van haar is als een weinig zand, en zilver is als slijk tegen haar te rekenen.

Boek der Wijsheid 7:10
Boven gezondheid en schone gestalte heb ik haar bemind, en heb haar verkoren om te hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust.

Boek der Wijsheid 7:11
En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar handen.

Boek der Wijsheid 7:13
Zonder erg heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik mede: haar rijkdom verberg ik niet.

Boek der Wijsheid 7:14
Zij is de mensen een schat die niet afneemt; die haar gebruiken verkrijgen vriendschap bij God, en zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen.

Boek der Wijsheid 7:22
Want in haar is een geest die verstandig is, heilig, enig, menigvuldig, fijn, vaardig, rein, onbesmet, klaar, zacht, beminnende het goed, scherp, die niet kan verhinderd worden, weldadig.

Boek der Wijsheid 7:24
Want de wijsheid is bewegelijker dan alle beweging, vaart door, en gaat door alle dingen vanwege haar reinheid.

Boek der Wijsheid 7:25
Want zij is een damp der kracht Gods, en een zuivere uitvloeiing der heerlijkheid van de almachtige, daarom valt in haar niets dat besmet is.

Boek der Wijsheid 8:2
Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid.

Boek der Wijsheid 8:3
Zij maakt haar adellijke afkomst daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en de Here aller dingen heeft haar lief.

Boek der Wijsheid 8:7
En zo iemand gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid, gerechtigheid en dapperheid, welke de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.

Boek der Wijsheid 8:10
Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de ouden.

Boek der Wijsheid 8:13
Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis degenen achterlaten, die na mij komen zullen.

Boek der Wijsheid 8:15
Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.

Boek der Wijsheid 8:16
Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.

Boek der Wijsheid 8:18
En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.

Boek der Wijsheid 8:21
En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, indien God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.

Boek der Wijsheid 9:10
Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.

Boek der Wijsheid 9:11
Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.

Boek der Wijsheid 10:9
Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost degenen die haar dienen.

Boek der Wijsheid 10:15
Deze heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie dergenen die haar verdrukten.

Boek der Wijsheid 11:1
ZIJ heeft haar werken voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet.

Boek der Wijsheid 14:6
Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand.

Boek der Wijsheid 17:11
Want de boosheid is een vervaard ding, veroordeeld door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste.

Jezus Sirach 1:5
Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen woont, is de fontein der wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden.

Jezus Sirach 1:6
Wie is de wortel der wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken gekend?

Jezus Sirach 1:8
De Here zelf heeft haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld.

Jezus Sirach 1:9
En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben.

Jezus Sirach 1:15
De verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen dronken van haar vruchten.

Jezus Sirach 1:16
Haar gehele huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;

Jezus Sirach 1:19
De wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand uit als een plasregen en verhoogt de heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.

Jezus Sirach 1:20
De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn een lang leven.

Jezus Sirach 4:12
De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken.

Jezus Sirach 4:13
Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden.

Jezus Sirach 4:14
Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.

Jezus Sirach 4:15
Die haar dienen, die zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft de Here lief.

Jezus Sirach 4:16
Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker wonen.

Jezus Sirach 4:17
Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven.

Jezus Sirach 4:19
Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten;

Jezus Sirach 4:21
En zal hem haar verborgen dingen openbaren.

Jezus Sirach 6:4
Een boze ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden.

Jezus Sirach 6:5
Een zoete keel vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken.

Jezus Sirach 6:19
En verbeid haar goede vruchten.

Jezus Sirach 6:20
Want in haar werking zult gij wel een weinig vermoeid worden, en haast zult gij van haar gewas eten.

Jezus Sirach 6:21
Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij haar.

Jezus Sirach 6:22
Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar weg te werpen.

Jezus Sirach 6:23
Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.

Jezus Sirach 6:25
En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.

Jezus Sirach 6:26
Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen vijand.

Jezus Sirach 6:27
Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht.

Jezus Sirach 6:28
Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.

Jezus Sirach 6:29
Want ten laatste zult gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;

Jezus Sirach 6:30
En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd.

Jezus Sirach 6:31
Want een gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten draad.

Jezus Sirach 6:32
Gij zult haar aantrekken als een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon der vrolijkheid.

Jezus Sirach 7:19
Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud.

Jezus Sirach 7:24
Hebt gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.

Jezus Sirach 7:25
Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.

Jezus Sirach 7:26
Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

Jezus Sirach 9:1
ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.

Jezus Sirach 9:3
Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat gij niet te eniger tijd in haar strikken valt.

Jezus Sirach 9:4
Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen.

Jezus Sirach 9:5
Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd wordt in haar bestraffingen.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 9:11
En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.

Jezus Sirach 10:4
De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is.

Jezus Sirach 10:31
Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid.

Jezus Sirach 11:3
De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste der zoetigheden.

Jezus Sirach 14:22
Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden verstandig worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.

Jezus Sirach 14:23
Wie door haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,

Jezus Sirach 14:24
Wie nabij haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt,

Jezus Sirach 14:25
Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten.

Jezus Sirach 14:26
Hij zal van haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.

Jezus Sirach 15:1
DIE de Here vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen heeft zal haar vinden.

Jezus Sirach 15:4
Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.

Jezus Sirach 15:7
Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.

Jezus Sirach 15:8
Zondaars zullen haar geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid, en leugenaars gedenken aan haar gans niet.

Jezus Sirach 18:31
Indien gij uw zielen toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden een vreugde maken.

Jezus Sirach 18:32
Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.

Jezus Sirach 19:4
Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen.

Jezus Sirach 21:2
Vlied voor de zonde gelijk voor een slang, want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.

Jezus Sirach 21:3
Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.

Jezus Sirach 21:4
Alle ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde.

Jezus Sirach 21:10
De vergadering der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een vlam vuurs tot verderf.

Jezus Sirach 22:4
Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot droefheid desgenen die haar gegenereerd heeft.

Jezus Sirach 23:29
Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erve van een ander bekomt.

Jezus Sirach 23:30
Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld jegens haar man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht.

Jezus Sirach 23:31
Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking geschieden.

Jezus Sirach 23:32
Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen.

Jezus Sirach 23:33
Haar gedachtenis zal zij tot een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden.

Jezus Sirach 24:1
DE wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich.

Jezus Sirach 24:2
Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:

Jezus Sirach 24:30
De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.

Jezus Sirach 24:31
Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.

Jezus Sirach 25:21
De boosheid van een vrouw verandert haar aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.

Jezus Sirach 25:22
In het midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om harentwil.

Jezus Sirach 25:23
Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars valle haar toe.

Jezus Sirach 25:26
Toorn en onbeschaamdheid en grote schande is bij een vrouw, indien zij haar man toereikt dat hij van node heeft.

Jezus Sirach 25:28
Welke haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe knieën.

Jezus Sirach 25:31
Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan.

Jezus Sirach 26:2
Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren zijns levens met vrede.

Jezus Sirach 26:9
Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken.

Jezus Sirach 26:10
De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.

Jezus Sirach 26:12
Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien zij verkeerd tegen u zou handelen.

Jezus Sirach 26:14
De bevalligheid der vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap maakt zijn benen vet.

Jezus Sirach 26:16
Een schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade op genade, en daar is geen ding van zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.

Jezus Sirach 26:17
Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.

Jezus Sirach 26:18
Gelijk het licht op de heilige kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom.

Jezus Sirach 26:19
Gelijk gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan een vaste borst.

Jezus Sirach 26:23
Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.

Jezus Sirach 26:25
Een schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien.

Jezus Sirach 26:27
Een vrouw, die haar eigen man eert, zal door allen voor wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal van allen gekend worden, dat zij door hovaardigheid goddeloos is.

Jezus Sirach 27:9
Het gevogelte nestelt bij zijns gelijken, en de waarheid komt weder tot degenen, die haar betrachten.

Jezus Sirach 28:17
De dubbele tong heeft mannelijke vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid.

Jezus Sirach 28:18
Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen.

Jezus Sirach 28:21
Zalig is bij die voor haar beschermd is, die door haar gramschap niet is gegaan;

Jezus Sirach 28:22
Die haar juk niet getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden geweest.

Jezus Sirach 28:23
Want haar juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn metalen banden.

Jezus Sirach 28:24
Haar dood is een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij.

Jezus Sirach 28:25
Zij zal over de godvrezenden gans geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.

Jezus Sirach 28:26
Die de Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden;

Jezus Sirach 35:15
Hij zal het smeken der wezen niet verachten, noch de weduwe indien zij haar klaag rede tot hem uitstort.

Jezus Sirach 35:16
Vlieten niet de tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?

Jezus Sirach 36:25
Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.

Jezus Sirach 37:28
Mijn kind beproef uw ziel terwijl gij leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het haar niet.

Jezus Sirach 40:22
Een vriend en zijn gezel komen elkander tegemoet ter ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.

Jezus Sirach 41:27
Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.

Jezus Sirach 42:11
Een dochter is haar vader een heimelijk waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap.

Jezus Sirach 42:12
En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat worde.

Jezus Sirach 42:19
De zon verlichtende ziet op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid des Heren.

Jezus Sirach 43:2
De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 43:3
Als zij op de middag is, verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?

Jezus Sirach 43:4
Men blaast een oven aan tot werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.

Jezus Sirach 43:5
De Here is groot, die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft doen stilstaan.

Jezus Sirach 43:6
Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing der tijden, en tot een teken der eeuw.

Jezus Sirach 43:8
De maand heeft haar naam naar haar; wassende is zij wonderbaar in haar verandering.

Jezus Sirach 43:11
Door de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht.

Jezus Sirach 43:20
Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over haar regen.

Jezus Sirach 47:21
En zijt met uw lichaam in haar macht gekomen.

Jezus Sirach 49:8
Die hebben de uitverkoren, heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door de hand van Jeremia.

Jezus Sirach 50:6
Gij waart gelijk de morgenster in het midden der wolken, gelijk de maan als zij vol is op haar tijd, en gelijk de regen boog de heerlijke wolken verlicht.

Jezus Sirach 51:18
Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.

Jezus Sirach 51:19
Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel rijp wordt.

Jezus Sirach 51:20
Mijn voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.

Jezus Sirach 51:21
Ik hem mijn oor een weinig geneigd, en heb haar aangenomen;

Jezus Sirach 51:22
En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.

Jezus Sirach 51:24
Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren het goede, en zal geenszins te schande worden.

Jezus Sirach 51:25
Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt hebbende, heb ik haar naarstig doorzocht.

Jezus Sirach 51:26
Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt.

Jezus Sirach 51:27
Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden.

Jezus Sirach 51:28
Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.

Jezus Sirach 51:29
Mijn hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.

Jezus Sirach 51:36
Weest deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult gij in haar bezitten.

Baruch 3:15
Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers ingegaan?

Baruch 3:21
En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.

Baruch 3:23
De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der wetenschap, maar de weg der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden.

Baruch 3:29
Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?

Baruch 3:30
Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud?

Baruch 3:31
Daar is niemand die haar weg weet, noch haar pad bedenkt.

Baruch 3:32
Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.

Baruch 3:34
En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.

Baruch 3:35
Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.

Baruch 4:1
DEZE wijsheid is het boek der geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven.

Baruch 4:2
Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting voor het licht derzelve.

Baruch 4:16
Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.

Baruch 4:33
Want gelijk zij zich verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting.

Baruch 4:34
En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.

Baruch 4:35
Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond worden, een lange tijd.

Baruch 6:43
En wanneer een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.

Baruch 6:61
En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen hetgeen bevolen is.

Esther (apocr.) 14:1
EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot de Here, met doodstrijd bevangen zijnde.

Esther (apocr.) 14:2
En legde haar heerlijke klederen af, en toog klederen der benauwdheid en des treurens aan, en in plaats van prachtige en welriekende zalven, vervulde zij haar hoofd met as en vuiligheid, en vernederde haar lichaam zeer; en alle plaatsen waar zij tevoren versierd en vrolijk was geweest, vervulde zij met haar uitgeplukt haar.

Esther (apocr.) 15:1
EN het geschiedde ten derden dage dat zij ophield van bidden, en legde haar treurklederen af, en toog haar heerlijke klederen aan.

Esther (apocr.) 15:2
En zeer sierlijk opgetooid zijnde, riep zij de Verlosser aan, en die alle dingen ziet; en nam haar twee dienstmaagden met zich.

Esther (apocr.) 15:4
En de andere volgde haar, oplichtende de sleep van haar kleding.

Esther (apocr.) 15:5
Zij was blozende in de jeugd van haar schoonheid, en haar aangezicht was vrolijk, en als vriendelijk, maar haar hart was benauwd van vrees.

Esther (apocr.) 15:7
En zijn aangezicht opheffende, dat van heerlijkheid glinsterde, zag hij haar met hevige toorn aan, en de koningin zonk neder, en haar kleur veranderde, en zij viel in onmacht, en boog zich neder op het hoofd der dienstmaagd die voorging.

Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.

Esther (apocr.) 15:9
Kom herwaarts; en zijn gouden scepter opheffende, legde die op haar hals,

Esther (apocr.) 15:10
En omhelsde haar, en zeide: Spreek tot mij.

Esther (apocr.) 15:14
En de koning werd beroerd, en al zijn dienaren troostten haar.

Esther (apocr.) 16:13
En Mordechai, die ons altijd een behoeder en weldoener is, en de onberispelijke metgezellin van ons koninkrijk Esther met haar gehele volk, door veelvuldige en bedriegelijke listen tot verderf te brengen.

Susanna (Dan. 13) 1:7
En het geschiedde als het volk op de middag was vertrokken, dat Susanna heenging, en wandelde in de hof van haar man.

Susanna (Dan. 13) 1:8
En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.

Susanna (Dan. 13) 1:10
En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkander hun pijn niet;

Susanna (Dan. 13) 1:11
Overmits zij zich schaamden hun lusten te verhalen, en dat zij met haar wilden te doen hebben.

Susanna (Dan. 13) 1:12
En zij namen haar dagelijks naarstig waar om haar te zien;

Susanna (Dan. 13) 1:14
En uitgegaan zijnde, scheidden zij van elkander, en wederkerende, kwamen zij tegelijk bijeen, en als zij elkander naar de oorzaak vroegen, bekenden zij aan elkander hun begeerlijkheid; en toen beraamden zij in het gemeen te zamen gelegen tijd, wanneer zij haar zouden kunnen alleen vinden.

Susanna (Dan. 13) 1:16
En aldaar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen.

Susanna (Dan. 13) 1:17
En zij zeide tot haar maagden: Haalt mij nu zalf en zeep, en sluit de deuren van de hof, opdat ik mij mag wassen.

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:19
En het geschiedde als de maagden uitgegaan waren, dat de twee oudsten opstonden, en liepen tot haar, en zeiden:

Susanna (Dan. 13) 1:24
En Susanna riep met luider stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar.

Susanna (Dan. 13) 1:26
Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar geschied was.

Susanna (Dan. 13) 1:28
En het geschiedde des anderen daags, als het volk tezamen kwam ten huize van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;

Susanna (Dan. 13) 1:29
En zeiden tot het volk: Zend om Susanna, de dochter van Chelkias, de huisvrouw van Jojakim, en zij zonden om haar.

Susanna (Dan. 13) 1:30
En zij kwam met haar ouders, en met haar kinderen, en met al haar maagschap.

Susanna (Dan. 13) 1:32
Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen.

Susanna (Dan. 13) 1:33
En die bij haar waren, en allen die haar zagen, weenden.

Susanna (Dan. 13) 1:34
En de twee oudsten stonden op in het midden van het volk, en legden de handen op haar hoofd.

Susanna (Dan. 13) 1:35
Maar zij weende, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op de Here.

Susanna (Dan. 13) 1:36
En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienstmaagden, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg;

Susanna (Dan. 13) 1:37
Een jong gezel kwam tot haar, die verstoken was, en legde zich bij haar.

Susanna (Dan. 13) 1:38
Maar wij zijnde in de hoek van de hof, en deze schande ziende, liepen naar haar toe;

Susanna (Dan. 13) 1:40
Doch deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons zulks niet zeggen. Dit getuigen wij.

Susanna (Dan. 13) 1:41
En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven.

Susanna (Dan. 13) 1:44
En God hoorde haar stem.

Susanna (Dan. 13) 1:45
En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genaamd was Daniël.

Susanna (Dan. 13) 1:49
Keert weder naar het gericht, want dezen hebben valse dingen tegen haar getuigd.

Susanna (Dan. 13) 1:58
Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt gij haar gegrepen, daar zij met elkander verkeerden, en hij zeide: Onder een eik.

Susanna (Dan. 13) 1:63
Doch Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar ganse maagschap, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:26
En Daniël nam pek, vet en haar, en kookte dit tezamen, en maakte daar koeken van, en gaf die de draak in de muil, en de draak berstte daarvan, en hij zeide: Zie uw goden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:35
Toen vatte de engel des Heren hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van zijn Geest.

1 Makkabeeën 1:28
Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw.

1 Makkabeeën 1:33
En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en muren rondom af;

1 Makkabeeën 1:41
En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar.

1 Makkabeeën 1:42
Haar heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting.

1 Makkabeeën 1:43
Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw.

1 Makkabeeën 1:64
En de vrouwen, die haar kinderen lieten besnijden, doodden zij naar des konings bevel;

1 Makkabeeën 1:65
En zij hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.

1 Makkabeeën 2:9
De heerlijke vaten zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood in haar straten, en haar jongelingen door het zwaard des vijands.

1 Makkabeeën 2:10
Wat volk is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft?

1 Makkabeeën 2:11
Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.

1 Makkabeeën 3:8
Hij doortrok de steden van Juda, en verdelgde uit haar de goddelozen en keerde de toorn Gods van Israël af.

1 Makkabeeën 5:8
En Jazer met haar vlekken ingenomen hebbende, keerde hij weder in Judea.

1 Makkabeeën 5:35
En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde haar met vuur.

1 Makkabeeën 5:52
En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan.

1 Makkabeeën 5:65
En Judas en zijn broeders trokken uit en bestreden de kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar vlekken.

1 Makkabeeën 5:66
En heeft haar sterkte vernield, en al haar torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken in het land der vreemdelingen, en trok door Samaria.

1 Makkabeeën 10:31
En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar landpalen, en tienden, en tollen.

1 Makkabeeën 10:54
Laat ons dan nu met elkander vriendschap maken, en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die uwer waardig zijn.

1 Makkabeeën 10:58
En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, gelijk de koningen, in grote heerlijkheid.

1 Makkabeeën 10:75
En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.

1 Makkabeeën 10:78
En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.

1 Makkabeeën 10:84
En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met vuur.

1 Makkabeeën 10:89
En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.

1 Makkabeeën 11:4
En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.

1 Makkabeeën 11:12
En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.

1 Makkabeeën 11:60
En hij vertrok vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde, belegerde hij haar rondom, en verbrandde haar voorsteden met vuur, en plunderde ze.

1 Makkabeeën 11:64
En Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield haar besloten.

1 Makkabeeën 11:68
En de hinderlaag brak op uit haar plaatsen, en leverde hun slag.

1 Makkabeeën 13:48
En hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een woonplaats.

1 Makkabeeën 13:50
En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen.

1 Makkabeeën 14:10
De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat zijn heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste der aarde.

1 Makkabeeën 15:25
En de koning Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.

2 Makkabeeën 1:14
Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren, opdat hij met haar zou trouwen, opdat hij het geld tot een huwelijksgift ontvangen mocht;

2 Makkabeeën 3:19
En de vrouwen, zijnde met zakken omgord onder haar borsten, vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten waren, liepen sommigen tezamen naar de poorten, sommigen op de muren, en sommigen zagen naar beneden uit de vensters,

2 Makkabeeën 6:10
Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, welke zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.

2 Makkabeeën 7:7
En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?

2 Makkabeeën 7:20
Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede gedachtenis waardig, als die kloekmoedig verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;

2 Makkabeeën 7:21
Want zij vermaande een ieder hunner in haar vaderlijke spraak, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende;

2 Makkabeeën 7:26
En als hij met vele woorden haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe te bewegen.

2 Makkabeeën 7:27
En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,

2 Makkabeeën 9:22
Wederkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een krankheid, die haar zwarigheid heeft, heb ik nodig geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende dat ik deze krankheid zal ontvlieden.

2 Makkabeeën 12:14
Maar die van binnen vertrouwende op de vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende, en sprekende onbehoorlijke dingen.

3 Makkabeeën 1:5
En als er een bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven.

3 Makkabeeën 1:15
Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met klagen en zuchten.

3 Makkabeeën 1:16
En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.

3 Makkabeeën 4:6
Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.

3 Makkabeeën 4:7
En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.

3 Makkabeeën 5:33
En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om de hals;

3 Makkabeeën 6:5
Gij hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.