woord OT NT apo Bijbel
haasten140418

Vindplaatsen van haasten in het Oude Testament. Het woord komt er 14 keer voor, in 14 verzen.

Deuteronomium 32:35
Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.

2 Kronieken 35:21
Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.

Psalmen 31:23
Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.

Psalmen 55:9
Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.

Psalmen 68:32
Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.

Psalmen 116:11
Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.

Spreuken 1:16
Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

Spreuken 6:18
Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

Prediker 2:25
(Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?)

Jesaja 28:16
Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.

Jesaja 49:17
Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan.

Jesaja 59:7
Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.

Jeremia 9:18
En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.

Nahum 2:5
Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.