woord OT NT apo Bijbel
had14233843212128

Vindplaatsen van had in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 321 keer voor, in 272 verzen.

3 Ezra 1:3
En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;

3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

3 Ezra 1:48
En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des Gods van Israël.

3 Ezra 1:58
Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaren vervuld waren.

3 Ezra 2:1
ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;

3 Ezra 2:10
En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.

3 Ezra 3:18
En de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken had, en zeide aldus:

3 Ezra 3:25
O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had.

3 Ezra 4:1
TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en zeide:

3 Ezra 4:13
De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:

3 Ezra 4:57
En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.

3 Ezra 4:62
En zij loofden de God hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.

3 Ezra 5:6
Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is de eerste maand.

3 Ezra 5:7
Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd had.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:26
En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weder gesteld mochten worden.

3 Ezra 7:15
Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken des Heren, de God Israëls.

3 Ezra 8:4
En de koning had hem heerlijkheid gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.

3 Ezra 8:8
Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te leren.

3 Ezra 8:57
En als ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig talenten zilvers, en honderd talenten aan gouden vaten, en honderd talenten aan goud;

4 Ezra 1:19
Toen had ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot spijs gegeven; gij hebt der engelen brood gegeten.

4 Ezra 2:11
En ik wil hun heerlijkheid tot mij nemen, en zal hun de eeuwige tabernakelen geven, die ik genen bereid had.

4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.

4 Ezra 3:6
En hebt hem in het Paradijs gezet hetwelk uw rechterhand gemaakt had, eer hij uit de aarde was gekomen.

4 Ezra 5:19
En ik zeide tot hem: Ga van mij, en nader niet tot mij. En hij hoorde mij, naar ik gezegd had, en hij week van mij.

4 Ezra 5:20
En ik vastte zeven dagen, huilende en wenende, gelijk mij de engel Uriël bevolen had.

4 Ezra 5:31
En het is geschied, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen.

4 Ezra 6:1
EN hij zeide tot mij: Van toen af dat de aardbodem zijn begin had, en eer de einden der wereld vaststonden, en eer de winden tezamen bliezen,

4 Ezra 6:17
En als ik het gehoord had, zo stond ik op mijn voeten, en ik hoorde, en zie een stem sprak, en haar geluid was als het geluid van vele wateren.

4 Ezra 6:48
Want dat stomme water zonder ziel, bracht gedierten voort, die God door één wenk bevolen had, opdat de volken daarin uw wonderen zouden verhalen.

4 Ezra 7:1
EN het is geschied, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was.

4 Ezra 7:46
Toen antwoordde ik, en zeide: Dit is mijn eerste en laatste reden, dat het beter ware geweest aan Adam het aardrijk niet te geven, of als hij het hem gegeven had, hem te beletten dat hij niet zou zondigen.

4 Ezra 8:60
Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt desgenen die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.

4 Ezra 9:26
En ik ben heengegaan, gelijk hij mij gezegd had, in het veld hetwelk Ardath heet, en ik zat aldaar in de bloemen; en ik at van het kruid des akkers, en ik werd van zijn spijs verzadigd.

4 Ezra 9:43
En zij zeide tot mij: Ik, uw dienstmaagd was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaren een man gehad had.

4 Ezra 10:29
En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij.

4 Ezra 10:60
En ik sliep die nacht, en de volgende, gelijk hij mij gezegd had.

4 Ezra 11:1
EN ik zag een droom, en zie een arend klom op van de zee, welke twaalf vleugelen van vederen had, en drie hoofden.

4 Ezra 11:39
Zijt gij niet het dier, dat overgebleven is van de vier dieren, die ik de heerschappij had gegeven in mijn wereld, opdat naar haar het einde der tijden zou komen?

4 Ezra 12:40
En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

4 Ezra 12:50
En het volk is naar de stad vertrokken, gelijk ik hun gezegd had.

4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.

4 Ezra 13:6
En ik zag, en ziet, hij had zichzelf een grote berg uitgesneden, en hij vloog daarop.

4 Ezra 13:33
En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn krijg, die hij tegen de andere had, laten varen.

4 Ezra 13:41
Doch zij besloten, dat zij de menigte der heidenen zouden verlaten, en in een verder land vertrekken, waar geen menselijk geslacht ooit tevoren gewoond had.

4 Ezra 14:31
En het land, namelijk het land Sion is ulieden tot een erfdeel gegeven; en uw vaders en gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had.

4 Ezra 14:32
En alzo hij een rechtvaardig rechter is, zo heeft hij van ulieden indertijd genomen, hetgeen hij gegeven had.

4 Ezra 14:37
En ik nam de vijf mannen tot mij, gelijk hij mij bevolen had. en wij gingen naar het veld, en bleven daar.

4 Ezra 14:40
En ik nam het, en dronk het, en zo haast als ik het gedronken had, zo werd mijn hart vervuld met wetenschap, en de wijsheid wies in mijn borst, en mijn geest werd versterkt in zijn geheugen.

4 Ezra 15:39
En de winden uit het oosten zullen de overhand nemen, en zullen dat openen, met de wolk die het in zijn onstuimigheid verwekt had, en het gesternte zal schade lijden dat opkwam, om verschrikking te maken aan de oosten wind en westenwind.

Tobias (Tobit) 1:8
En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 2:6
En ik werd gedachtig der profetie van Amos gelijk hij gezegd had:

Tobias (Tobit) 3:8
Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.

Tobias (Tobit) 3:12
Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.

Tobias (Tobit) 4:1
OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring gegeven had.

Tobias (Tobit) 6:7
En de jongeling deed gelijk de engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.

Tobias (Tobit) 7:7
En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.

Tobias (Tobit) 8:12
En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.

Tobias (Tobit) 8:14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 10:9
Totdat de veertien dagen der bruiloft voleindigd waren, welke Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.

Tobias (Tobit) 10:12
En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.

Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 14:10
Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.

Judith 2:1
EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd had.

Judith 2:4
En het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, Holofernes, de veldoverste zijns legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:

Judith 2:7
En Holofernes ging uit van voor het aanschijn zijns heren, en riep al de machtigen, en de krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger der Assyriërs, en telde uitgelezen mannen tot de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters te paard;

Judith 4:1
EN de kinderen Israëls, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste des konings van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen.

Judith 5:9
En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.

Judith 5:20
Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden.

Judith 6:13
En hij, antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden van de oversten der kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken tegen het huis Israëls.

Judith 8:7
En zij was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 9:1
EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luider stem tot de Here, en zeide:

Judith 9:2
Here, gij God mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.

Judith 10:1
EN het geschiedde toen zij ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze woorden geëindigd had.

Judith 10:9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.

Judith 11:2
En nu, indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben, doch zij zelf hebben zich dit aangedaan.

Judith 12:15
Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neder.

Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.

Judith 12:19
En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd bereid had.

Judith 12:20
En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.

Judith 13:2
En zij gingen heen naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat de maaltijd zeer lang geduurd had; en Judith werd alleen gelaten in de tent.

Judith 13:3
En Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.

Judith 13:4
Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:7
En Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.

Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:

Judith 15:9
En Joachim, de hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.

Judith 16:10
Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.

Judith 16:23
En Judith hing op in de tempel al de vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Here.

Boek der Wijsheid 8:19
Ik nu was een goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.

Boek der Wijsheid 11:18
Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.

Boek der Wijsheid 11:20
Welker beschadiging niet alleen hen tezamen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen.

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Boek der Wijsheid 16:17
Want (hetwelk op het hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water, hetwelk toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.

Boek der Wijsheid 16:22
Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven had.

Boek der Wijsheid 17:9
Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde vervaard door het ontmoeten der beesten en schuifelen der kruipende dieren.

Boek der Wijsheid 19:9
Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.

Boek der Wijsheid 19:10
Want zij waren nog gedachtig de dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld had.

Boek der Wijsheid 19:14
En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.

Jezus Sirach 16:9
Hij verschoonde die niet, bij welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, vanwege hun hovaardigheid.

Jezus Sirach 45:23
Maar de Here zag het, en had geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de grimmigheid van zijn toorn.

Jezus Sirach 45:27
Doch in het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner erfenis.

Jezus Sirach 45:28
En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijk heid, omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.

Jezus Sirach 45:29
En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend had.

Jezus Sirach 47:10
Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem gemaakt had.

Jezus Sirach 47:15
Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.

Jezus Sirach 47:24
Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.

Jezus Sirach 48:25
Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn vader, gelijk Jesaja die grote en eerwaardige profeet in zijn gezicht geboden had.

Jezus Sirach 51:13
Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.

Baruch 1:8
Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.

Baruch 1:9
Nadat Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel gebracht had.

Baruch 1:18
En wij zijn hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen des Heren, die hij voor ons aangezicht gegeven had.

Baruch 1:20
En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze dag is.

Baruch 2:1
EN de Here heeft zijn woord bevestigd, dat hij over ons gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda.

Baruch 2:10
Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen des Heren, die hij gegeven had voor ons aangezicht.

Baruch 3:35
Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.

Esther (apocr.) 11:1
IN het vierde jaar toen Ptolomeüs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zeide dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon Ptolomeüs deze tegenwoordige brief der Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van Ptolomeüs, te Jeruzalem die overgezet had;

Esther (apocr.) 11:3
En was een uit de gevangenen, die Nabuchondonosor de koning te Babel weggevoerd had van Jeruzalem, met Jechonias, de koning van Juda; en dit was zijn droom:

Esther (apocr.) 11:10
En Mordechai, die deze droom had gezien, wakker wordende, bedacht wat God doen wilde, en behield deze droom in zijn hart, en wilde die op alle manieren verstaan, tot op die nacht.

Esther (apocr.) 16:10
Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, waarlijk vreemd van het bloed der Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,

Esther (apocr.) 16:15
Doch wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden;

Esther (apocr.) 16:18
Omdat hij, die zulks teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn gehele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, gelijk hij waardig was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen.

Susanna (Dan. 13) 1:4
En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem tezamen, dewijl hij de aanzienlijkste was van hen allen.

Susanna (Dan. 13) 1:56
En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zeide tot hem: Gij zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkheid heeft uw hart verkeerd.

Susanna (Dan. 13) 1:61
En stonden op tegen de twee oudsten, overmits Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:17
En het geschiedde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luider stem uitriep: Bel gij zijt groot, en geen bedrog is bij u.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:32
En Habakuk, de profeet was in Judea, en had een pap gekookt, en had brood gebrokkeld in een diepe schotel, en ging in het veld om het de maaiers te dragen.

1 Makkabeeën 1:1
En het geschiedde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had;

1 Makkabeeën 1:21
En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weder in het honderdendrieënveertigste jaar;

1 Makkabeeën 2:1
In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.

1 Makkabeeën 2:2
En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis,

1 Makkabeeën 3:13
En Seron, de overste der krijgsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe lieden bij zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, en zeide:

1 Makkabeeën 3:29
En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden, weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;

1 Makkabeeën 3:30
En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen;

1 Makkabeeën 3:42
Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:

1 Makkabeeën 4:27
En hij dit horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.

1 Makkabeeën 4:35
Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.

1 Makkabeeën 4:55
En al het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.

1 Makkabeeën 6:2
En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;

1 Makkabeeën 6:8
En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.

1 Makkabeeën 6:54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.

1 Makkabeeën 6:55
Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn,

1 Makkabeeën 6:62
En de koning ging op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.

1 Makkabeeën 7:47
En zij kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hovaardig had uitgestrekt, afgehouwen hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem.

1 Makkabeeën 9:7
Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen, en hij werd zeer verslagen;

1 Makkabeeën 9:36
En de kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.

1 Makkabeeën 9:72
En hij gaf hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen; en wedergekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.

1 Makkabeeën 10:8
En zij vreesden met grote vreze, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om krijgsvolk te verzamelen.

1 Makkabeeën 10:12
En de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides had gebouwd, vloden;

1 Makkabeeën 10:15
En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.

1 Makkabeeën 10:46
Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

1 Makkabeeën 10:78
En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.

1 Makkabeeën 10:81
En Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.

1 Makkabeeën 10:88
En het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.

1 Makkabeeën 11:4
En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.

1 Makkabeeën 11:5
En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de koning zweeg,

1 Makkabeeën 11:37
En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.

1 Makkabeeën 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.

1 Makkabeeën 11:52
En hij hield niet van hetgeen hij beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.

1 Makkabeeën 11:54
En tot hem vergaderden al de krijgsknechten, die Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd op de vlucht gedreven.

1 Makkabeeën 13:22
Tryfon dan maakte al zijn ruiterij gereed, om daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis.

1 Makkabeeën 14:17
En horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;

1 Makkabeeën 14:30
Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;

1 Makkabeeën 14:35
Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen.

1 Makkabeeën 14:40
Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan waren.

1 Makkabeeën 14:41
En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan.

1 Makkabeeën 15:27
En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd.

1 Makkabeeën 15:36
En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.

1 Makkabeeën 15:41
En schikte daarin ruiters en krijgsknechten, opdat zij uitvallende de wegen van Judea zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.

1 Makkabeeën 16:9
Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd had.

1 Makkabeeën 16:11
En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,

1 Makkabeeën 16:15
En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.

1 Makkabeeën 16:21
En een, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.

2 Makkabeeën 1:19
Want toen onze vaders in Perzië werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, die toen waren, heimelijk van het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was.

2 Makkabeeën 1:33
En als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia de offerande had geheiligd;

2 Makkabeeën 2:1
Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk verklaard is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had;

2 Makkabeeën 3:11
En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.

2 Makkabeeën 3:13
Doch Heliodorus, om de bevelen, die hij van de koning had, zeide, dat dit geld immers in des konings schatkamer moest gebracht worden.

2 Makkabeeën 3:17
Want vrees en verschrikking van het lichaam had de man bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.

2 Makkabeeën 3:30
Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze, en beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap en vreugde.

2 Makkabeeën 3:35
En Heliodorus, als hij God offerande had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had, trok het leger weder naar de koning;

2 Makkabeeën 3:36
En hij getuigde aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met zijn ogen gezien had.

2 Makkabeeën 4:1
De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus geslagen had, en aanstichter ware geweest van al dit kwaad.

2 Makkabeeën 4:2
En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.

2 Makkabeeën 4:7
Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en Antiochus, toegenaamd Epifanes, het koninkrijk had aangenomen, zo heeft Jason, de broeder van Onias, onbehoorlijk gestaan naar het hogepriesterschap.

2 Makkabeeën 4:10
Hetwelk, als de koning hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen had, zo heeft hij terstond zijn volk gebracht tot de wijze der Grieken;

2 Makkabeeën 4:12
En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen daartoe had verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.

2 Makkabeeën 4:24
Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen, driehonderd talenten zilver meer daarvoor gevende dan Jason.

2 Makkabeeën 4:26
En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog uitgeworpen had door een ander weder met bedrog uitgeworpen zijnde, gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis.

2 Makkabeeën 4:27
En Menelaüs heeft wel het opperste gezag verkregen, maar hij stelde gans geen orde aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het eiste.

2 Makkabeeën 4:32
En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen had, heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.

2 Makkabeeën 4:33
Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij Antiochië.

2 Makkabeeën 4:38
En in zijn gemoed met gramschap ontstoken zijnde, heeft deze terstond Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.

2 Makkabeeën 5:5
En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen vergaderd hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de burcht.

2 Makkabeeën 5:9
En hij, die velen uit hun vaderland in ballingschap verdreven had, is in ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken zijnde, alsof hij bij hen om der maagschap wil in bescherming zou worden genomen.

2 Makkabeeën 5:10
En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch zijner vaderen graf mogen genieten.

2 Makkabeeën 5:11
De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.

2 Makkabeeën 5:22
En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had,

2 Makkabeeën 5:24
En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.

2 Makkabeeën 6:5
En het altaar werd ook met onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld.

2 Makkabeeën 6:23
Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden.

2 Makkabeeën 6:28
En zal de jongelieden een heerlijk voorbeeld nalaten, om voor de eerwaardige en heilige wetten gewillig en kloek een eerlijke dood te sterven. En als hij dit gezegd had, is hij terstond gegaan naar de pijnigingsplaats.

2 Makkabeeën 7:4
Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem het vel rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen, en dat de andere broeders en de moeder dit zouden aanzien.

2 Makkabeeën 7:26
En als hij met vele woorden haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe te bewegen.

2 Makkabeeën 8:5
En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn Gods in barmhartigheid was veranderd.

2 Makkabeeën 8:10
Nicanor nu had de koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.

2 Makkabeeën 8:13
En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.

2 Makkabeeën 8:15
En zo hij het niet deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij met hun vaderen gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke naam genoemd waren.

2 Makkabeeën 8:23
En als hij hun voorgelezen had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde met Nicanor slag.

2 Makkabeeën 8:27
En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die dag toe, welke het begin was der barmhartigheid, die over hen kwam.

2 Makkabeeën 8:32
En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan had.

2 Makkabeeën 8:33
En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon zijner goddeloosheid verkregen.

2 Makkabeeën 8:34
En de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,

2 Makkabeeën 8:36
En hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.

2 Makkabeeën 9:5
Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzienlijke plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn der ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen;

2 Makkabeeën 9:6
Zeer rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd had.

2 Makkabeeën 9:15
En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te werpen, allen tezamen die van Athene gelijk zou maken;

2 Makkabeeën 9:16
En dat hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had, met zeer schone geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige vaten veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de offeranden behoorden, zou bestellen;

2 Makkabeeën 9:28
Zo heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.

2 Makkabeeën 10:7
Derhalve dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken, offerden zij lofzangen hem, die voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden.

2 Makkabeeën 10:13
Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten. had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.

2 Makkabeeën 10:23
En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee sterkten om meer dan twintigduizend mensen.

2 Makkabeeën 10:38
En deze dingen verricht hebbende, dankten zij met lofzangen en dankzeggingen de Here, die Israël zo grote weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning gegeven had.

2 Makkabeeën 11:6
En als die met Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun sterkten belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen en tranen de Here, dat hij een goede engel wilde zenden tot behoud van Israël.

2 Makkabeeën 11:15
Makkabeüs nu, zorgdragende voor hetgeen oorbaar was, stond toe al hetgeen dat Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe.

2 Makkabeeën 12:8
Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden,

2 Makkabeeën 12:20
En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard.

2 Makkabeeën 12:24
En Timotheüs zelf, als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en Sosipater, bad met grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden en loslaten, omdat hij velen hunner ouders en hunner broeders had, en het geschieden zou dat men anderszins op die geen acht zou hebben.

2 Makkabeeën 12:25
En als hij met vele woorden zijn toezegging verzekerd had, namelijk dat hij ze zonder enige hinder leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis der broederen.

2 Makkabeeën 12:35
En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek henen; en als hij deze levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte Gorgias naar Marisa.

2 Makkabeeën 12:44
(Want indien hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weder zouden opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)

2 Makkabeeën 13:6
Zij stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anderszins enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.

2 Makkabeeën 13:8
En dat zeer rechtvaardig, want hij had vele zonden gedaan tegen het altaar, waar het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft bij zijn dood in de as gevonden.

2 Makkabeeën 13:11
En dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept, niet wilde laten vallen in de handen der schandelijke heidenen.

2 Makkabeeën 13:23
En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.

2 Makkabeeën 14:2
En dat hij dat land bemachtigde, nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had omgebracht.

2 Makkabeeën 14:3
En een zekere Alcimus, die tevoren hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet had in de tijden der vermenging, overleggende dat voor hem in generlei wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen hebben tot het heilig altaar,

2 Makkabeeën 14:15
En de Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning heeft aangenomen.

2 Makkabeeën 14:16
En als de overste bevel gegeven had, trok het leger terstond van daar, en leverde slag bij het vlek Dessau.

2 Makkabeeën 14:20
En als hierover vele raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.

2 Makkabeeën 14:28
Als nu Nicanor deze dingen ter ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan had.

2 Makkabeeën 14:34
En als hij zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende:

2 Makkabeeën 14:38
Want in de voorgaande tijden werd bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom, met alle standvastigheid.

2 Makkabeeën 14:39
Nicanor nu willende openbaar maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten omhem te vangen.

2 Makkabeeën 14:43
En als hij, door al te grote haast van de strijd, de steek niet recht gegeven had, en de scharen door de deuren binnenvielen, zo liep hij kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de scharen,

2 Makkabeeën 15:6
En deze Nicanor, met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.

2 Makkabeeën 15:12
En aldus was zijn gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.

2 Makkabeeën 15:30
En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest zijner medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid jegens zijn eigen volk altijd bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen.

2 Makkabeeën 15:31
En als hij daar gekomen was, en tezamen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor het altaar, zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren.

2 Makkabeeën 15:32
En hun tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar, welke hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de Almachtige, en die de hals had opgestoken,

3 Makkabeeën 1:1
Als de koning Filopator verstond van degenen die wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;

3 Makkabeeën 1:4
Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, doch die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.

3 Makkabeeën 1:7
En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.

3 Makkabeeën 1:9
En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts op die plaats placht te geschieden, gedaan had;

3 Makkabeeën 1:12
Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, hield hij geenszins op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort het nochtans mij niet te geschieden; en hij vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de gehele tempel in te gaan.

3 Makkabeeën 2:6
Gij hebt de trotse Farao, die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend gemaakt.

3 Makkabeeën 2:16
Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks verheven had, hem aan alle zijden slingerende gelijk het riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel Gods geheel verstrikt was.

3 Makkabeeën 2:17
Daarom werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de tempel.

3 Makkabeeën 5:2
En als hij dit gelast had, begaf hij zich weder tot goede sier te maken, en vergaderde de voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was.

3 Makkabeeën 5:5
En hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam des morgens vroeg tot des konings hof, om de koning deze zaken te kennen te geven.

3 Makkabeeën 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 Makkabeeën 5:12
En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en zijn vrienden zulks ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven.

3 Makkabeeën 5:14
Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken.

3 Makkabeeën 5:18
Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.

3 Makkabeeën 5:24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.

3 Makkabeeën 6:3
Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een licht van uw barmhartigheid betoond.

3 Makkabeeën 6:4
Gij hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk bewezen.

3 Makkabeeën 6:20
En des konings toorn werd veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht had.

3 Makkabeeën 7:18
En zij werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij allen kregen allen het hunne uit de aantekening weder, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, overmits de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had.