woord OT NT apo Bijbel
hals4371565

Vindplaatsen van hals in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 15 keer voor, in 15 verzen.

3 Ezra 3:6
Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;

Tobias (Tobit) 11:9
En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.

Tobias (Tobit) 11:11
En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:

Judith 13:9
En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed.

Judith 16:11
Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.

Jezus Sirach 6:25
En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.

Jezus Sirach 7:23
Hebt gij kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.

Jezus Sirach 30:12
Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.

Jezus Sirach 33:26
Het juk en touw buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht.

Jezus Sirach 51:34
Legt uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.

Esther (apocr.) 15:9
Kom herwaarts; en zijn gouden scepter opheffende, legde die op haar hals,

2 Makkabeeën 15:6
En deze Nicanor, met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.

2 Makkabeeën 15:32
En hun tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar, welke hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de Almachtige, en die de hals had opgestoken,

3 Makkabeeën 3:13
Daar zij nochtans onze sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap hebben, maar hun vijandelijk gemoed jegens ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.

3 Makkabeeën 5:33
En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om de hals;