woord OT NT apo Bijbel
haman5101061

Vindplaatsen van haman in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 10 keer voor, in 10 verzen.

Tobias (Tobit) 14:10
Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.

Tobias (Tobit) 14:11
En Achiachar is wel verlost geworden, doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis nedergedaald. Manasse heeft aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen.

Esther (apocr.) 10:7
De twee draken nu zijn ik en Haman.

Esther (apocr.) 12:6
Haman, de zoon van Ammedatha van Buga was heerlijk voor de koning, en zocht Mordechai en zijn volk leed te doen, om de twee kamerlingen van de koning.

Esther (apocr.) 13:3
Als ik nu mijn raadsheren vroeg hoe zulks zou mogen tot een goed einde gebracht worden, zo heeft Haman, die bij ons in voorzichtigheid uitmunt, en door zijn onveranderlijke goedwilligheid en standvastige getrouwheid beproefd is, en de tweede plaats van eer in onze koninkrijken verkregen heeft, ons vertoond,

Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.

Esther (apocr.) 13:12
Gij kent alle dingen, gij weet, Here, dat ik niet uit spijtigheid, noch uit hovaardigheid, noch uit eergierigheid, dit heb gedaan, dat ik de hovaardige Haman niet heb aangebeden.

Esther (apocr.) 14:17
Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.

Esther (apocr.) 16:10
Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniƫr, waarlijk vreemd van het bloed der Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiƫn bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,

Esther (apocr.) 16:17
Gij zult dan weldoen, dat gij de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt.