woord OT NT apo Bijbel
hanan120012

Vindplaatsen van hanan in het Oude Testament. Het woord komt er 12 keer voor, in 12 verzen.

1 Kronieken 8:23
En Abdon, en Zichri, en Hanan,

1 Kronieken 8:38
Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.

1 Kronieken 9:44
Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.

1 Kronieken 11:43
Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;

Ezra 2:46
De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;

Nehemia 7:49
De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

Nehemia 8:8
Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maaseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.

Nehemia 10:10
En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,

Nehemia 10:22
Pelatja, Hanan, Anaja,

Nehemia 10:26
En Ahia, Hanan, Anan,

Nehemia 13:13
En ik stelde tot schatmeesters over de schatten, Selemja, den priester, en Zadok, den schrijver, en Pedaja, uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Matthanja; want zij werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broederen uit te delen.

Jeremia 35:4
En bracht hen in des HEEREN huis, in de kamer der zonen van Hanan, den zoon van Jigdalia, den man Gods; welke is bij de kamer der oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, den zoon van Sallum, den dorpelbewaarder.