woord OT NT apo Bijbel
hebt13084624232193

Vindplaatsen van hebt in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 423 keer voor, in 318 verzen.

3 Ezra 1:4
En zeide: Gij moogt deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen.

3 Ezra 2:26
Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;

3 Ezra 4:43
Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.

3 Ezra 4:45
En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 4:60
Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.

3 Ezra 8:83
En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:

3 Ezra 8:88
Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.

3 Ezra 8:89
Zoudt gij dan over ons niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten?

3 Ezra 9:7
En Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt uitlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen.

3 Ezra 9:10
Toen riep de ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:

4 Ezra 1:14
Ik heb u licht gegeven door een vuurkolom, en heb grote wonderen onder u gedaan; maar gij hebt mij vergeten, spreekt de Here.

4 Ezra 1:15
Dit zegt de almachtige Here: De kwakkel is u tot een teken geweest; het leger heb ik u gegeven tot een bescherming, en daar hebt gij gemurmureerd;

4 Ezra 1:16
En hebt niet getriumfeerd in mijn naam over de verdelging uwer vijanden, maar nog tot nu toe hebt gij gemurmureerd.

4 Ezra 1:17
Waar zijn de weldaden die ik u bewezen heb? Hebt gij niet in de woestijn, toen u hongerde, tot mij geroepen, zeggende:

4 Ezra 1:18
Waarom hebt gij ons in deze woestijn gebracht, om ons te doden? het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

4 Ezra 1:19
Toen had ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot spijs gegeven; gij hebt der engelen brood gegeten.

4 Ezra 1:24
Wat zal ik u doen Jakob? Gij hebt niet willen gehoorzamen, Juda. Ik zal mij tot andere volken keren, en zal hun mijn naam geven, opdat zij mijn inzettingen houden.

4 Ezra 1:25
Dewijl gijlieden mij verlaten hebt, zo zal ik u ook verlaten; als gij genade van mij zult begeren, zo zal ik u niet genadig zijn.

4 Ezra 1:26
Wanneer gij mij zult aanroepen, zo zal ik u niet verhoren, want gij hebt uw handen met bloed bevlekt, en uw voeten zijn snel om doodslagen te begaan.

4 Ezra 1:27
Gij hebt mij niet verlaten, maar u zelf, spreekt de Here.

4 Ezra 1:32
Ik heb mijn knechten de profeten tot u gezonden die gij genomen en gedood hebt, en hun lichamen hebt gij verscheurd; welker bloed ik van u zal eisen, spreekt de Here.

4 Ezra 2:3
Met vreugde heb ik u opgevoed, en ik heb u met rouw en droefheid verloren: want gij hebt gezondigd voor de Here uw God, en hebt kwaad voor hem gedaan.

4 Ezra 2:41
Het getal uwer kinderen, die gij gewenst hebt, is vol. Bid de majesteit des Heren, dat uw volk geheiligd worde, dat van den beginne geroepen is.

4 Ezra 2:48
Toen zeide de engel tot mij: Ga en verkondig mijn volk hoedanige en hoe grote wonderen Gods gij gezien hebt.

4 Ezra 3:4
O heersende Here, gij hebt van den beginne gesproken, toen gij het aardrijk hebt gefundeerd, gij alleen, en hebt het volk geboden gegeven;

4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.

4 Ezra 3:6
En hebt hem in het Paradijs gezet hetwelk uw rechterhand gemaakt had, eer hij uit de aarde was gekomen.

4 Ezra 3:7
En hebt hem geboden uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en gij hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en lieden, en geslachten, welker getal niet is te tellen.

4 Ezra 3:13
En als zij nu ongerechtigheid voor u bedreven, zo hebt gij u een man uit dezen verkoren, wiens naam was Abraham.

4 Ezra 3:14
Die hebt gij liefgehad, en hebt hem alleen uw wil aangewezen.

4 Ezra 3:15
En gij hebt met hem een eeuwig verbond gemaakt, en hebt hem gezegd, dat gij zijn zaad nimmermeer zoudt verlaten; deze hebt gij gegeven Izaäk, en Izaäk hebt gij gegeven Jakob en Ezau.

4 Ezra 3:16
Jakob nu hebt gij u verkoren, maar Ezau hebt gij van u afgezonderd, en Jakob is geworden tot een grote menigte.

4 Ezra 3:17
En het is geschied toen gij zijn zaad uit Egypte leiddet, dat gij hem gebracht hebt aan de berg Sinaï.

4 Ezra 3:24
En gij hebt hem gezegd, dat hij uw naam een stad zou bouwen, en dat men u daarin wierook en offeranden zou offeren.

4 Ezra 3:27
En gij hebt uw stad overgegeven in de handen uwer vijanden.

4 Ezra 3:30
Want ik heb gezien, hoe gij hen duldt als zij zondigen, en spaart als zij goddeloosheid bedrijven, en uw volk hebt gij uitgeroeid, en uw vijanden hebt gij behouden; en gij hebt dat niet te verstaan gegeven.

4 Ezra 4:9
Maar nu heb ik niet gevraagd dan van vuur, en van wind, en van de dag, daar gij doorgegaan zijt, en van welke gij niet kondt afgezonderd zijn, en gij hebt mij daarvan niet geantwoord.

4 Ezra 4:20
En hij antwoordde mij en zeide: Gij hebt wèl geoordeeld, doch waarom hebt gij ook niet geoordeeld voor u zelf?

4 Ezra 4:23
Want ik heb niet willen vragen van uw hogere dingen, maar van de dingen die onder ons dagelijks omgaan: namelijk, waarom Israël de heidenen tot een smaad is overgegeven, en waarom het volk, dat gij liefgehad hebt, overgegeven is aan de goddeloze geslachten, en de wet onzer vaderen teniet is geworden, en de geschreven rechten nergens voorhanden zijn,

4 Ezra 5:2
En de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden boven deze, die gijzelf ziet, en boven die gij eertijds gehoord hebt.

4 Ezra 5:23
En ik zeide: O heersende Here, uit alle bossen der aarde en uit al hun bomen hebt gij alleen de wijnstok verkoren;

4 Ezra 5:24
En uit al de landen des aardbodems hebt gij u een groef verkoren, en uit alle bloemen des aardbodems hebt gij u een lelie verkoren;

4 Ezra 5:25
En uit al die diepten der zee hebt gij u een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt gij u Sion geheiligd.

4 Ezra 5:26
En uit alle geschapen gevogelte hebt gij u een duif genoemd, en uit al het geschapen vee hebt gij u een lammetje voorzien,

4 Ezra 5:27
En uit alle vermenigvuldigde volken hebt gij u een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin gij lust hadt.

4 Ezra 5:28
En nu Here, waarom hebt gij dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat uw is, onder velen verstrooid?

4 Ezra 5:33
Toen zeide ik: Spreek mijn Here. En hij zeide tot mij: Uw geest is te zeer bekommerd over Israël; hebt gij dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft?

4 Ezra 5:39
Maar ik ben onverstandig, en hoe zou ik van die dingen kunnen spreken, welke gij mij hebt gevraagd?

4 Ezra 5:45
Toen sprak ik: Gelijk gij tot uw knecht hebt gezegd, dat gij het schepsel, hetwelk geschapen is, op eenmaal levend gemaakt heb, en het schepsel verdroeg het, zo kan het ook nu wel op eenmaal de tegenwoordige dragen.

4 Ezra 5:50
En ik vroeg en zeide: Dewijl gij mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan gij mij gezegd hebt, is die nog jong; of genaakt zij nu de ouderdom?

4 Ezra 5:52
Want gij zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die gij gebaard hebt, nu niet gelijk degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?

4 Ezra 6:12
Zo bid ik u, dat gij uw dienstknecht toont het einde uwer tekenen, waarvan gij mij een deel de voorgaande nacht getoond hebt.

4 Ezra 6:32
Want uw stem is verhoord door de allerhoogste; want de Sterke heeft uw gezindheid gezien, en uw kuisheid, die gij van de jeugd aan hebt behouden.

4 Ezra 6:38
En ik zeide: O Here, Gij hebt in het begin der schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en uw woord was een volkomen werk,

4 Ezra 6:40
Toen hebt gij gezegd, dat uit uw schatten het klare licht zou voortgebracht worden, opdat uw werk zichtbaar zou worden.

4 Ezra 6:41
En op de tweede dag schiept gij de lucht van het firmament, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel opwaarts zou trekken, en een deel beneden zou blijven.

4 Ezra 6:42
De derde dag nu hebt gij de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel der aarde, doch zes delen hebt gij droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor u zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.

4 Ezra 6:49
En toen hebt gij twee dieren verordineerd, de naam van het ene noemdet gij Behemoth, en de naam van het andere noemdet gij Leviathan.

4 Ezra 6:50
En gij hebt die van elkander gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten.

4 Ezra 6:51
En gij hebt aan Behemoth het ene deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn.

4 Ezra 6:52
De Leviathan nu hebt gij het zevende deel des waters gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding degene, die gij wilt, en wanneer gij wilt.

4 Ezra 6:54
En bovendien ook Adam, die gij over al uw schepselen, die gij gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat gij uitverkoren hebt.

4 Ezra 6:55
Dit alles nu heb ik, Here! voor u gesproken, dewijl gij om onzentwil de wereld geschapen hebt.

4 Ezra 6:56
Doch de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt gij gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt gij vergeleken met de druppel, die van een vat valt.

4 Ezra 6:58
Maar wij, uw volk, hetwelk gij genoemd hebt uw eerstgeborene, uw eniggeborene, en die waarover gij ijvert, zijn in hun handen gegeven.

4 Ezra 7:16
En waarom hebt gij niet ter harte genomen hetgeen toekomend is, maar hetgeen tegenwoordig is?

4 Ezra 7:17
En ik antwoordde en zeide: O heersende Heer, ziet gij hebt in uw wet verordineerd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beërven, en dat de goddelozen zouden vergaan.

4 Ezra 7:48
O Adam, wat hebt gij gedaan? want zo gij gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.

4 Ezra 7:58
Opdat hij lijde hetgeen gij gezegd hebt, indien hij overwonnen wordt, maar indien hij overwint, zo zal hij ontvangen hetgeen ik zeg.

4 Ezra 8:7
Want gij zijt alleen, en wij zijn maar een schepping uwer handen, gelijk gij gesproken hebt.

4 Ezra 8:8
En gelijk nu het lichaam in de baarmoeder geschapen is, en gij het zijn leden geeft, zo wordt uw schepsel als in vuur en water bewaard, en uw werk dat gij gemaakt hebt, draagt negen maanden uw schepsel, dat daarin geschapen is.

4 Ezra 8:10
Want gij hebt ook de leden zelf, namelijk de borsten, bevolen melk te geven aan de vrucht der borsten;

4 Ezra 8:37
En hij antwoordde en zeide tot mij: Gij hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook geschieden.

4 Ezra 8:44
Zo gaat ook desgelijks verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en zijt hem een evenbeeld genoemd, omdat gij hem gelijk zijt, om wie gij alle dingen hebt geschapen, en die gij het zaad des landmans gelijk gemaakt hebt.

4 Ezra 8:49
Omdat gij u vernederd hebt, gelijk het u betaamt, en hebt u zelf niet waardig geoordeeld, dat gij onder de rechtvaardigen zeer zoudt verheerlijkt worden.

4 Ezra 8:63
Zie, Here, nu hebt gij mij de veelheid der tekenen getoond, die gij in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar gij hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd.

4 Ezra 9:7
En het zal geschieden dat een iegelijk, die behouden zal worden, en die door zijn werken zal kunnen ontvlieden, en door het geloof waarmee gij geloofd hebt,

4 Ezra 9:29
O Here, toen gij uzelf ons vertoondet, zijt gij onze vaderen openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, wanneer zij uit Egypte togen, en hebt hun ernstig gezegd:

4 Ezra 10:14
Zo zeg ik u, gelijk gij met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van den beginne gebouwd heeft.

4 Ezra 10:32
En ik zeide: Omdat gij mij verlaten hebt; want ik heb naar uw redenen gedaan, en ben in het veld uitgegaan; en ziet, ik heb gezien, en zie nog, wat ik niet kan verhalen.

4 Ezra 10:41
De vrouw, die gij hebt zien treuren, zijt gij begonnen te troosten,

4 Ezra 10:44
Deze vrouw, die gij gezien hebt is Sion, welke gij ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.

4 Ezra 10:49
En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.

4 Ezra 11:16
Hoort gij, die zo lange tijd het aardrijk ingehouden hebt, dit verkondig ik u, eer gij begint te verdwijnen;

4 Ezra 11:41
En hebt de aarde gericht niet naar waarheid?

4 Ezra 11:42
Want gij hebt de zachtmoedige verdrukt, en die in rust waren beledigd, en gij hebt de leugen liefgehad, en hebt de woningen afgebroken dergenen, die vruchten brachten, en hebt de muren ternedergeworpen dergenen, die u niet beschadigen.

4 Ezra 12:4
Ziet, gij hebt mij dit gedaan, daarmee dat gij de wegen des Allerhoogsten onderzoekt.

4 Ezra 12:9
Want gij hebt mij waardig geacht, dat gij het laatste der tijden mij zult vertonen.

4 Ezra 12:11
De arend, die gij hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een gezicht gezien is door uw broeder Daniël;

4 Ezra 12:16
Dit is de verklaring van de twaalf vleugelen, die gij gezien hebt.

4 Ezra 12:17
En wat aangaat de stem die gesproken heeft, en die gij gehoord hebt, uitgaande niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.

4 Ezra 12:19
En dat gij gezien hebt acht onderste vleugelen, die vast waren aan zijn vleugelen.

4 Ezra 12:22
En dat gij hebt gezien drie hoofden die rustten.

4 Ezra 12:26
En dat gij gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat een van hen op zijn bed zal sterven, en nochtans met smarten.

4 Ezra 12:29
En dat gij gezien hebt twee vederen, die van onder de vleugelen over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijd was,

4 Ezra 12:31
Gelijk gij ook een leeuw gezien hebt, die gij zaagt uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de arend, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die gij gehoord hebt.

4 Ezra 12:35
Dit is de droom, die gij gezien hebt, en dit zijn de verklaringen.

4 Ezra 12:37
Daarom schrijf al deze dingen, die gij gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats.

4 Ezra 13:14
Gij hebt van den beginne uw dienstknecht deze wonderen getoond, en gij hebt mij waardig geacht, dat gij mijn gebed zoudt aannemen,

4 Ezra 13:21
Ik zal u ook de verklaring van dit gezicht zeggen, en zal u openbaren hetgeen waarvan gij gesproken hebt.

4 Ezra 13:22
Dat gij van deze gezegd hebt, die overgelaten zijn, daarvan is dit de verklaring:

4 Ezra 13:25
Dit zijn de verklaringen van dit gezicht: Dat gij hebt gezien een man opklimmend uit het midden der zee.

4 Ezra 13:27
En dat gij uit zijn mond hebt zien gaan als een wind, en vuur, en onweder.

4 Ezra 13:32
En als deze dingen geschieden, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die gij als een man hebt zien opkomen.

4 Ezra 13:36
Sion nu zal komen, en het zal bereid en opgebouwd aan allen vertoond worden, gelijk gij gezien hebt, dat de berg zonder handen werd uitgehouwen.

4 Ezra 13:39
En dat gij gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich vergaderd heeft;

4 Ezra 13:47
Zo zal de Allerhoogste weder de aderen der rivier ophouden, opdat zij daarover gaan mogen; daarom hebt gij deze menigte vreedzaam gezien.

4 Ezra 13:53
Dit is de verklaring van de droom, die gij gezien hebt, en om welks wil gij alleen hier verlicht zijt.

4 Ezra 13:54
Want gij hebt uw eigen wet verlaten, en hebt u omtrent mijn wet bezig gehouden, en hebt die gezocht.

4 Ezra 13:55
Gij hebt uw leven gericht door wijsheid, en hebt verstand genoemd uw moeder.

4 Ezra 14:8
De tekenen die ik gedroomd heb, en de dromen die gij gezien hebt, en de verklaringen, die gij gehoord hebt, die zult gij in uw hart wegleggen.

4 Ezra 14:15
Want het kwaad, dat gij hebt zien geschieden, zullen zij nog erger maken dan dit.

4 Ezra 14:17
Want de waarheid is veel verder geweken en de leugen is naderbij gekomen, en nu zal het gezicht haast komen dat gij gezien hebt.

4 Ezra 14:19
Want ziet, ik zal heengaan gelijk gij mij bevolen hebt, en ik zal het tegenwoordige volk bestraffen. Doch wie zal die vermanen, die hierna zullen geboren worden?

4 Ezra 14:30
En hebben de wet des levens ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook gijlieden na hen hebt overtreden.

4 Ezra 14:31
En het land, namelijk het land Sion is ulieden tot een erfdeel gegeven; en uw vaders en gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had.

4 Ezra 14:45
En het is geschied, als de veertig dagen geëindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zeide: Stel de eerste dingen, die gij geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen.

4 Ezra 15:47
Wee u, gij ellendige, overmits gij u haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochteren versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar boelen, die met u altijd begeerd hebben te hoereren.

4 Ezra 15:48
Gij hebt de gehate stad altijd willen navolgen in al haar werken en vonden, daarom spreekt de Here:

Tobias (Tobit) 3:4
Want zij zijn uw geboden ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord der versmading alle de volken, waaronder wij verstrooid zijn.

Tobias (Tobit) 3:10
Gij hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt gij genoemd.

Tobias (Tobit) 4:7
Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.

Tobias (Tobit) 4:8
Naar dat gij hebt, doe aalmoezen naar de menigte der dingen.

Tobias (Tobit) 4:9
Zo gij weinig hebt, vrees niet naar het weinige aalmoezen te doen.

Tobias (Tobit) 4:15
En laat het loon van geen mens, die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten, maar geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal u weergegeven worden.

Tobias (Tobit) 4:17
Geef van uw brood degene die honger heeft, en van uw klederen hun die naakt zijn. Alles wat gij overvloedig hebt, geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde het niet, wanneer gij aalmoezen geeft.

Tobias (Tobit) 4:21
En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk is voor hem.

Tobias (Tobit) 5:1
EN Tobias antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.

Tobias (Tobit) 5:25
En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?

Tobias (Tobit) 7:9
En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.

Tobias (Tobit) 8:6
Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij.

Tobias (Tobit) 8:14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 11:2
En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.

Tobias (Tobit) 11:14
En geloofd zijn al uw heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.

Tobias (Tobit) 12:5
Neem de helft van alles wat gij meegebracht hebt,

Tobias (Tobit) 12:19
Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.

Judith 6:2
Wie zijt gij toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls niet zouden beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God dan Nabuchodonosor?

Judith 6:5
En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 7:19
En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:11
En nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen der mensen.

Judith 8:25
En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.

Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.

Judith 9:2
Here, gij God mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.

Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.

Judith 9:4
Want gij hebt de dingen gedaan, welke voor die waren, en die dingen zelf, en die daarna zijn geschied, en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en, die dingen, die gij beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan, en hebben gezegd: Ziet hier zijn wij.

Judith 10:9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.

Judith 10:15
En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.

Judith 11:21
En nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan zult doen gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.

Judith 13:22
En zeiden eendrachtiglijk: Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige dag de vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.

Judith 13:25
Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 15:11
Gij zijt de verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van ons geslacht. Gij hebt dit alles gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Zijt gezegend voor de Almachtige Here, ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!

Judith 16:17
Dat al uw schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die uw stem zal wederstaan.

Boek der Wijsheid 1:1
HEBT de gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt van de Here een goed gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid des harten.

Boek der Wijsheid 6:4
Omdat gij dienaars zijnde van zijn koninkrijk niet recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de raad Gods hebt gewandeld.

Boek der Wijsheid 6:21
Indien gij dan behagen hebt, gij koningen der volken, in tronen en scepters, zo eert de wijsheid, opdat gij eeuwig als koningen moogt regeren.

Boek der Wijsheid 9:1
O God mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door uw woord,

Boek der Wijsheid 9:2
En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,

Boek der Wijsheid 9:7
Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.

Boek der Wijsheid 9:8
Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne bereid hadt.

Boek der Wijsheid 9:17
En wie heeft uw raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en uw Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.

Boek der Wijsheid 11:8
En hebt deze gegeven overvloedig water boven hun verwachting.

Boek der Wijsheid 11:11
Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.

Boek der Wijsheid 11:16
En in plaats van de onverstandige overleggingen hunner ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige dieren tot wraak toegezonden.

Boek der Wijsheid 11:21
Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.

Boek der Wijsheid 11:25
Want gij hebt alles lief wat daar is, en hebt geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid hebben.

Boek der Wijsheid 12:5
Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees aten,

Boek der Wijsheid 12:6
En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.

Boek der Wijsheid 12:8
Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.

Boek der Wijsheid 12:12
Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

Boek der Wijsheid 12:13
Want daar is geen God dan gij die voor alle dingen zorgt, opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.

Boek der Wijsheid 12:14
Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.

Boek der Wijsheid 12:19
Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.

Boek der Wijsheid 12:20
Want indien gij de vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;

Boek der Wijsheid 12:21
Met hoe grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker vaderen gij eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?

Boek der Wijsheid 12:23
Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.

Boek der Wijsheid 12:25
Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.

Boek der Wijsheid 16:2
In plaats van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een spijs, namelijk kwakkelen hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen.

Boek der Wijsheid 16:8
En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad verlost.

Boek der Wijsheid 16:13
Want gij hebt macht over leven en over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt daar weder uit.

Boek der Wijsheid 16:20
Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.

Boek der Wijsheid 16:24
Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen die u betrouwen.

Boek der Wijsheid 16:26
Opdat uw kinderen, welke gij lief hebt, Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen die u geloven.

Boek der Wijsheid 18:8
Want gelijk gij de tegenpartijen hebt gestraft, zo hebt gij ons daarmee tot u geroepen en verheerlijkt.

Boek der Wijsheid 19:21
Want, Here, in allen hebt gij uw volk groot en heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd te allen tijde en in alle plaatsen bij te staan.

Jezus Sirach 1:26
Hebt gij lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,

Jezus Sirach 2:16
Wee ulieden die de lijdzaamheid verloren hebt.

Jezus Sirach 3:26
Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet.

Jezus Sirach 5:5
Wees niet zonder vrees vanwege de verzoening, wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden op zonden zoudt hopen.

Jezus Sirach 5:14
Indien gij verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.

Jezus Sirach 7:22
Hebt gij vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.

Jezus Sirach 7:23
Hebt gij kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.

Jezus Sirach 7:24
Hebt gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.

Jezus Sirach 7:26
Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

Jezus Sirach 8:15
Leen niemand die machtiger is dan gij, en indien gij hem wat geleend zult hebben, zo zijt als een die het verloren hebt.

Jezus Sirach 11:7
Berisp niet eer gij onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.

Jezus Sirach 11:8
Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden spreek niet tussenbeide.

Jezus Sirach 13:7
Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?

Jezus Sirach 13:17
Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.

Jezus Sirach 18:33
Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal.

Jezus Sirach 19:10
Hebt gij wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, want het zal u niet doen barsten.

Jezus Sirach 20:13
De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.

Jezus Sirach 21:1
MIJN kind, hebt gij gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.

Jezus Sirach 22:15
Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.

Jezus Sirach 22:25
Indien gij het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.

Jezus Sirach 22:26
Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een iegelijk vriend weg.

Jezus Sirach 25:5
In uw jeugd hebt gij niet vergaderd, en hoe zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?

Jezus Sirach 27:20
En gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.

Jezus Sirach 29:30
Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.

Jezus Sirach 32:13
Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.

Jezus Sirach 32:20
Doe niets zonder raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.

Jezus Sirach 33:30
Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.

Jezus Sirach 36:14
Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd hebt.

Jezus Sirach 37:6
Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer gij geld hebt.

Jezus Sirach 37:12
Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een luie over enig werk; noch met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel arbeid.

Jezus Sirach 37:14
Blijf vast bij de raadslag uws harten, want gij hebt niemand getrouwer dan hem.

Jezus Sirach 38:16
Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet.

Jezus Sirach 41:11
Wee u, gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.

Jezus Sirach 41:28
Schaamt u ook voor uw vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.

Jezus Sirach 41:29
Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken;

Jezus Sirach 47:20
In de naam des Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;

Jezus Sirach 47:22
Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam koninkrijk ontstond.

Jezus Sirach 48:5
Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 48:6
Gij hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven waren tot eer, van hun bed.

Jezus Sirach 48:7
Gij, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen der wraak.

Jezus Sirach 48:8
Gij, die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, en profeten die na u zouden volgen.

Jezus Sirach 50:5
Gij hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, gij zijt verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.

Jezus Sirach 51:2
Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en helper geweest zijt, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost;

Jezus Sirach 51:4
Gij hebt mij verlost naar de menigte der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die bereid waren om mij te verslinden;

Jezus Sirach 51:15
Want gij hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken uit de boze tijd.

Baruch 2:11
En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk deze dag uitwijst.

Baruch 2:13
Laat uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen over gebleven onder de heidenen, waarheen gij ons verstrooid hebt.

Baruch 2:20
Want gij hebt uw toorn en gramschap over ons gebracht, gelijk als gij gesproken hebt door de dienst uwer knechten, de profeten zeggende:

Baruch 2:24
Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door de dienst uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen zouden gebracht worden uit hun plaats.

Baruch 2:26
Gij hebt het huis, waarin uw naam was aangeroepen, gemaakt gelijk het te dezen dage is, vanwege de boosheid van het huis Israëls, en van het huis van Juda.

Baruch 2:27
Gij hebt met ons gedaan, Here onze God, naar al uw billijkheid, en naar al uw grote barmhartigheid.

Baruch 2:28
Gelijkerwijs gij gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de kinderen Israëls, zeggende:

Baruch 3:7
Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden onzer vaderen, die tegen u gezondigd hebben.

Baruch 3:8
Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap waarheen gij ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken zijn.

Baruch 3:12
Gij hebt de fontein der wijsheid verlaten.

Baruch 4:6
Gij zijt de heidenen verkocht, doch niet ten verderve; en omdat gij God vertoornd hebt, zijt gij de vijanden overgegeven.

Baruch 4:7
Want gij hebt hem die u gemaakt heeft tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd, en niet God.

Baruch 4:8
Gij hebt de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft.

Baruch 4:21
Hebt moed, kinderen, roept tot God, en hij zal u verlossen uit het geweld, en uit de hand der vijanden.

Baruch 4:27
Hebt moed, kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft zal uwer gedenken.

Baruch 4:37
Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.

Baruch 6:1
OM der zonden wil waarmee gij gezondigd hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor, de koning der Babyloniërs, naar Babel gevankelijk weggevoerd worden.

Esther (apocr.) 13:10
Gij hebt de hemel en de aarde geschapen, en alles wat wonderlijk is onder de hemel;

Esther (apocr.) 13:16
En nu, Here God, gij Koning en God van Abraham, spaar uw volk, overmits zij ons aanzien om ons te verderven, en begerig zijn om uw erve uit te roeien, die gij van den beginne verkoren hebt;

Esther (apocr.) 13:17
En veracht uw deel niet, dat gij voor uzelf uit Egypteland hebt verlost.

Esther (apocr.) 14:5
Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat gij Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al hetgeen gij hun gesproken hadt.

Esther (apocr.) 14:6
Nu hebben wij gezondigd voor u, en gij hebt ons overgegeven in de handen onzer vijanden, omdat wij hun goden hadden geëerd.

Esther (apocr.) 14:15
Gij hebt kennis van alle dingen, en weet dat ik de eer der goddelozen haat, en een afschuw heb van het bed der onbesnedenen, en van alle vreemden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:27
Want gij zijt rechtvaardig in alles, wat gij ons gedaan hebt; en al uw werken zijn waarachtig, en uw wegen zijn recht, en al uw oordelen zijn waarheid.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:28
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad onzer vaderen, want gij hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, om onzer zonden wil.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:31
En al wat gij over ons gebracht hebt, en al wat gij ons hebt gedaan, dat hebt gij in een waarachtig gericht gedaan;

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:32
En hebt ons overgegeven in de handen der goddeloze vijanden, en der allervijandigste afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die de booste is op de gehele wereld.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:36
Tot welke gij gesproken hebt, dat gij hun zaad zult ver menigvuldigen gelijk de sterren des hemels, en gelijk het zand dat aan de oever der zee is.

Susanna (Dan. 13) 1:21
Doch indien niet zo zullen wij tegen u getuigen dat een jong gezel bij u is geweest, en dat gij daarom uw dienstmaagden van u hebt weggezonden.

Susanna (Dan. 13) 1:47
En het ganse volk wendde zich om naar hem, en zeide: Wat rede is dit die gij gesproken hebt?

Susanna (Dan. 13) 1:48
Doch hij staande in het midden van hen, zeide: Zijt gij kinderen Israëls zo dwaas, dat gij een dochter Israëls veroordeelt, eer gij de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt?

Susanna (Dan. 13) 1:52
Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.

Susanna (Dan. 13) 1:54
Nu welaan dan, indien gij deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom gij hen bij elkander hebt zien verkeren, en hij zeide: Onder een mastiekboom.

Susanna (Dan. 13) 1:55
Toen zeide Daniël: Zeer wel, gij hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel des Heren zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven.

Susanna (Dan. 13) 1:57
Alzo hebt gij de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.

Susanna (Dan. 13) 1:58
Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt gij haar gegrepen, daar zij met elkander verkeerden, en hij zeide: Onder een eik.

Susanna (Dan. 13) 1:59
Toen zeide Daniël tot hem: Zeer wel, gij hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel Gods, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij ulieden uitroeie.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:33
En de engel des Heren zeide tot Habakuk: Draag het middageten, dat gij hebt, naar Babylon tot Daniël in de kuil der leeuwen.

Gebed van Manasse 1:2
Die de hemel en de aarde gemaakt hebt met al hun sieraad.

Gebed van Manasse 1:3
Die de zee verzegeld hebt met uw gebiedend woord, en de afgrond besloten en verzegeld hebt door uw schrikkelijke en heerlijke naam.

Gebed van Manasse 1:7
Gij, Here, die naar de grootte uwer goedheid hebt beloofd, dat het u berouwen zal, en dat gij vergeven zult degenen die tegen u hebben gezondigd, en door de menigte van uw ontfermingen, naar uw besluit, geeft gij de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid.

Gebed van Manasse 1:8
Gij, Here, die een God zijt der rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, welke tegen u niet hebben gezondigd; maar gij hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.

1 Makkabeeën 4:30
En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.

1 Makkabeeën 7:37
Here, gij hebt dit huis uitverkoren, dat uw naam daarin zou aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn een huis des gebeds en der smeking;

1 Makkabeeën 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 Makkabeeën 10:26
Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven zijt in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.

1 Makkabeeën 10:56
En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven hebt; doch kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, gelijk gij gezegd hebt.

1 Makkabeeën 12:10
Zo hebben wij nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap en vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.

1 Makkabeeën 12:23
En wij schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.

1 Makkabeeën 12:44
En hij sprak Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij al dit volk zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan?

1 Makkabeeën 13:37
De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.

1 Makkabeeën 13:38
Al wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen uwe zijn.

1 Makkabeeën 15:7
Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen uwe blijven.

1 Makkabeeën 15:28
En hij zond aan hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.

1 Makkabeeën 15:29
Gij hebt de landpalen daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk.

1 Makkabeeën 15:30
Nu dan geeft weder over de steden, die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn.

1 Makkabeeën 15:31
Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog andere vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.

2 Makkabeeën 1:25
Gij die alleen milddadig zijt, alleen rechtvaardig, en almachtig, en eeuwig, gij die Israël behoudt van alle kwaad, gij die onze vaderen hebt gemaakt tot uitverkorenen, en hebt geheiligd;

2 Makkabeeën 2:15
Indien gij ze nodig hebt, zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.

2 Makkabeeën 3:38
Indien gij een vijand hebt, of een die uw zaken lagen legt, zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld weder krijgen, indien hij behouden ontkomt, omdat in der waarheid in die plaats een kracht Gods is.

2 Makkabeeën 7:16
Gij hebt macht onder de mensen, en hoewel gij vergankelijk zijt, zo doet gij nochtans wat gij wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten is.

2 Makkabeeën 7:19
En gij, meen niet dat gij onschuldig zult zijn, dewijl gij het gewaagd hebt tegen God te strijden.

2 Makkabeeën 9:26
Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.

2 Makkabeeën 14:35
Gij, o Here van allen, die geen ding van node hebt, gij hebt gewild dat de tempel uwer woning bij ons zou zijn.

2 Makkabeeën 15:22
En als hij bad, sprak hij deze woorden: Gij, o Here, hebt uw engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot honderdvijfentachtigduizend man.

3 Makkabeeën 2:3
Want gij, die alles geschapen, en aller dingen macht hebt, gij zijt een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt gij.

3 Makkabeeën 2:4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.

3 Makkabeeën 2:5
Gij hebt de Sodomieten, toen zij allen hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.

3 Makkabeeën 2:6
Gij hebt de trotse Farao, die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend gemaakt.

3 Makkabeeën 2:7
Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde met wagens en menigte der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen hebben.

3 Makkabeeën 2:8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.

3 Makkabeeën 2:9
En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij beloofd, indien wij ons van u afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.

3 Makkabeeën 2:10
Nu voorwaar, gij zijt getrouw en waarachtig, nademaal gij dikwijls, als onze vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote ellende.

3 Makkabeeën 2:13
Want tot uw woning voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt gij deze plaats geheiligd.

3 Makkabeeën 5:25
Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;

3 Makkabeeën 6:3
Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een licht van uw barmhartigheid betoond.

3 Makkabeeën 6:4
Gij hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk bewezen.

3 Makkabeeën 6:5
Gij hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.

3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.

3 Makkabeeën 6:10
Maar gij eeuwige Here, gij die macht hebt, zie ons nu aan.

3 Makkabeeën 6:12
Gij heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, gij die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.

3 Makkabeeën 6:13
U bidt de ganse menigte der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van ons niet hebt afgewend;

3 Makkabeeën 6:14
Maar gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Here.

3 Makkabeeën 6:22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.