woord OT NT apo Bijbel
hemel24217187500

Vindplaatsen van hemel in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 87 keer voor, in 84 verzen.

3 Ezra 4:34
O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.

3 Ezra 4:36
De gehele aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.

3 Ezra 4:58
En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:

3 Ezra 6:13
Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft geschapen,

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,

3 Ezra 8:76
Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de tijden onzer vaderen.

3 Ezra 9:11
Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.

4 Ezra 2:14
Betuigt de hemel en de aarde: want het kwade heb ik verbroken, en het goede heb ik geschapen: want het is, zo waar als ik leef, spreekt de Here.

4 Ezra 3:18
Daar boogt gij de hemel, en schuddet de aarde; gij bewoogt de aardbodem, en de afgrond deedt gij beven, en gij verschriktet de wereld.

4 Ezra 4:8
Zo zoudt gij mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet nedergedaald, noch tot nog toe in de hel; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen.

4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.

4 Ezra 6:38
En ik zeide: O Here, Gij hebt in het begin der schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en uw woord was een volkomen werk,

4 Ezra 11:6
En ik zag dat alle dingen hem onder de hemel onderdanig waren, en niemand wedersprak hem, ja niet een van de schepselen die op aarde zijn.

4 Ezra 15:44
Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren.

4 Ezra 16:56
Want hij heeft gezegd: De aarde worde, en zij is geworden, en de hemel worde, en hij is geworden.

4 Ezra 16:60
Die de hemel uitspant als een gewelf; bij heeft die over de wateren bevestigd.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Judith 7:17
Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden op de dag van heden.

Judith 13:24
En geloofd zij de Here God, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die u geleid heeft tot verwonding des hoofds van de overste onzer vijanden.

Boek der Wijsheid 16:20
Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.

Boek der Wijsheid 18:15
Toen daalde uw alvermogend woord van de hemel uit de koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven zou worden.

Boek der Wijsheid 18:16
Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.

Jezus Sirach 16:15
Maak plaats voor allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft Farao verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.

Jezus Sirach 16:18
Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.

Jezus Sirach 43:13
Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten spannen hem uit.

Jezus Sirach 45:19
Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.

Jezus Sirach 46:19
En de Here donderde van de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord werd door de grote weerklank des donders;

Jezus Sirach 48:3
Door het woord des Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal vuur uit de hemel nederkomen. Hoe zijt gij verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden!

Jezus Sirach 48:23
En de heilige uit de hemel verhoorde hen, en verloste hen door de hand van Jesaja.

Baruch 2:2
Dat hij over ons grote ellende liet komen, hoedanige hij niet heeft gedaan onder de ganse hemel, gelijk hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes;

Baruch 3:29
Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?

Baruch 5:3
Want God zal uw heerlijkheid tonen al het volk, dat onder de hemel is.

Baruch 6:53
Zij houden geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht, dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.

Baruch 6:66
Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de maan.

Esther (apocr.) 13:10
Gij hebt de hemel en de aarde geschapen, en alles wat wonderlijk is onder de hemel;

Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:60
Alle gij wateren, die boven de hemel zijt, looft de Here, prijst en roemt hem in der eeuwigheid.

Susanna (Dan. 13) 1:9
En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten.

Susanna (Dan. 13) 1:35
Maar zij weende, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op de Here.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:4
En hij zeide: Omdat ik geen afgoden, die met handen gemaakt zijn, aanbid, maar de levende God, die de hemel geschapen heeft, en de aarde, en die heerschappij heeft over alle vlees.

Gebed van Manasse 1:2
Die de hemel en de aarde gemaakt hebt met al hun sieraad.

Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn niet meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.

1 Makkabeeën 2:37
Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid. De hemel en aarde getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.

1 Makkabeeën 2:58
Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel.

1 Makkabeeën 3:18
En Judas zeide: Het is licht dat velen besloten worden in de handen van weinigen, en daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door velen of door weinigen.

1 Makkabeeën 3:19
Want de overwinning in de krijg bestaat niet in de menigte der macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze.

1 Makkabeeën 3:50
En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?

1 Makkabeeën 3:60
Doch gelijk de wil van God in de hemel zal zijn, zo doe hij met ons.

1 Makkabeeën 4:10
En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.

1 Makkabeeën 4:24
En wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, dewijl zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid.

1 Makkabeeën 4:40
En zij vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God in de hemel.

1 Makkabeeën 4:55
En al het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.

1 Makkabeeën 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:

1 Makkabeeën 9:46
Roept dan nu tot God in de hemel, dat gij uit de handen der vijanden moogt behouden worden.

1 Makkabeeën 12:15
Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.

1 Makkabeeën 16:3
Maar ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.

2 Makkabeeën 2:10
Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft, en dat het vuur nederkomende de brandoffers heeft verteerd.

2 Makkabeeën 2:18
Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen in deze heilige plaats.

2 Makkabeeën 2:22
En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het ganse land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben vervolgd;

2 Makkabeeën 3:15
En de priesters in hun priesterlijke klederen, wierpen zich neder voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,

2 Makkabeeën 3:20
En zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt hebbende, deden het gebed.

2 Makkabeeën 3:34
En gij, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht Gods. En als zij deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.

2 Makkabeeën 7:11
En sprak kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.

2 Makkabeeën 7:28
Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is.

2 Makkabeeën 8:20
En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.

2 Makkabeeën 9:4
Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, als ik daar zal gekomen zijn.

2 Makkabeeën 9:21
In de hemel mijn hoop hebbende, gedenk ik goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid.

2 Makkabeeën 10:29
Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.

2 Makkabeeën 11:10
En zij trokken in slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.

2 Makkabeeën 14:34
En als hij zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende:

2 Makkabeeën 15:3
Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.

2 Makkabeeën 15:4
En als dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.

2 Makkabeeën 15:8
En vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen niet zouden vrezen, maar dat zij in gedachtenis zouden houden de hulp, die hun zo dikwijls van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning verwachten, die hij hun zou geven.

2 Makkabeeën 15:19
En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou geschieden, hen ontroerende.

2 Makkabeeën 15:21
Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig te zijn.

2 Makkabeeën 15:34
En zij allen opziende naar de hemel dankten de doorluchtige Here, zeggende: Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard.

3 Makkabeeën 2:1
Simon dan, de hogepriester, tegenover het binnenste des tempels de knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed een zodanig gebed:

3 Makkabeeën 2:13
Want tot uw woning voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt gij deze plaats geheiligd.

3 Makkabeeën 4:16
Doch dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.

3 Makkabeeën 5:5
En hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam des morgens vroeg tot des konings hof, om de koning deze zaken te kennen te geven.

3 Makkabeeën 5:16
Maar de Joden waren die ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat hij hen weder haastig wilde helpen.

3 Makkabeeën 5:35
Doch wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld waren.

3 Makkabeeën 6:16
En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mede een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk schreien bewogen werd.

3 Makkabeeën 6:17
Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, nevens de Joden.

3 Makkabeeën 6:30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem geschied was.