woord OT NT apo Bijbel
hen22328277723831

Vindplaatsen van hen in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 772 keer voor, in 608 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500.

3 Ezra 1:16
En de deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun broeders, de Levieten, bereidden het voor hen.

3 Ezra 1:24
En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen Israël.

3 Ezra 1:50
En de God hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn woning.

3 Ezra 1:51
Doch zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten zij zijn profeten.

3 Ezra 1:52
Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen hen deed optrekken.

3 Ezra 1:54
Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.

3 Ezra 2:9
En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, wier gemoed daartoe verwekt is.

3 Ezra 2:16
Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:

3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen volgt:

3 Ezra 2:30
Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.

3 Ezra 3:15
En hij zette zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen gelezen en hij zeide:

3 Ezra 3:16
Roept de jongelingen, en laat henzelf hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:

3 Ezra 4:15
Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.

3 Ezra 4:37
De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen der mensen is onrecht, en alle zodanige hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.

3 Ezra 4:50
En dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;

3 Ezra 5:2
En Darius zond met hen duizend ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,

3 Ezra 5:3
(En al hun broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.

3 Ezra 5:40
En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.

3 Ezra 5:50
En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen uit de andere volken des lands zich tegen hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.

3 Ezra 5:68
En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.

3 Ezra 5:70
Toen zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua en de oversten der vaderlijke geslachten Israëls:

3 Ezra 5:73
En de volken van dit land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.

3 Ezra 6:2
Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl de profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.

3 Ezra 6:3
In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen:

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,

3 Ezra 7:15
Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken des Heren, de God Israëls.

3 Ezra 8:20
En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,

3 Ezra 8:42
Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:43
En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.

3 Ezra 8:86
En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.

3 Ezra 9:7
En Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt uitlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen.

3 Ezra 9:15
En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na.

3 Ezra 9:52
Gaat dan henen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.

3 Ezra 9:55
En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;

4 Ezra 1:6
Dewijl de zonden hunner vaderen in hen zijn gewassen, want zij hebben mij vergeten, en hebben andere goden geofferd.

4 Ezra 1:7
Heb ik hen niet geleid uit het land van Egypte, uit het huis der dienstbaarheid? Zij daarentegen hebben mij tot toorn verwekt, en hebben mijn raad veracht.

4 Ezra 1:8
Doch schud gij het haar uws hoofds af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen.

4 Ezra 1:9
Hoe lang zal ik hen verdragen, die ik zo grote weldaden bewezen heb?

4 Ezra 1:12
Gij dan spreek tot hen, zeggende: Zo spreekt de Here;

4 Ezra 1:30
Ik heb u zo verzameld, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugelen verzamelt. Nu dan, wat zal ik u doen? Ik zal u van mijn aangezicht verwerpen.

4 Ezra 2:2
De moeder, die hen gebaard heeft, zegt tot hen: Gaat heen kinderen! want ik ben een weduwe en verlatene.

4 Ezra 2:6
Dat gij hen te schande brengt, en hun moeder ten roof, opdat zij niet meer voortgeteeld worden.

4 Ezra 2:7
Laat hun namen verstrooid worden onder de heidenen: Laat hen van de aarde verdelgd worden; want zij hebben mijn eed veracht.

4 Ezra 2:16
En ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen, en uit de graven zal ik hen voortbrengen; want ik heb mijn naam bekend gemaakt in Israël.

4 Ezra 2:26
Van de knechten, die ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want ik zal hen van uw getal eisen.

4 Ezra 2:33
Ik Ezra, heb een bevel ontvangen van de Here op de berg Oreb, dat ik tot Israël gaan zou. Doch toen ik tot hen kwam, zo verwierpen zij mij, en versmaadden het bevel des Heren.

4 Ezra 2:43
En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.

4 Ezra 2:47
En hij antwoordde mij en zeide: Het is de Zoon Gods, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hogelijk te verheffen, die zo kloekmoedig voor de naam des Heren gestaan hadden.

4 Ezra 3:10
En gelijk over Adam de dood, zo is over een ieder van hen de zondvloed gekomen.

4 Ezra 3:11
Doch gij liet één uit hen overblijven, namelijk Noach met zijn huisgezin, en uit hem zijn alle rechtvaardigen.

4 Ezra 3:20
Doch gij naamt van hen het boze hart niet weg, opdat uw wet in hen zou vrucht voortbrengen.

4 Ezra 3:30
Want ik heb gezien, hoe gij hen duldt als zij zondigen, en spaart als zij goddeloosheid bedrijven, en uw volk hebt gij uitgeroeid, en uw vijanden hebt gij behouden; en gij hebt dat niet te verstaan gegeven.

4 Ezra 3:36
Deze zult gij wel met namen vinden, dat zij uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult gij hen niet vinden.

4 Ezra 6:19
En dat ik van hen zal beginnen te onderzoeken, wie met hun ongerechtigheid anderen onrechtvaardig zullen hebben beledigd, en wanneer de vernedering Sions zal vervuld zijn.

4 Ezra 6:24
En het zal te dien tijde geschieden, dat de vrienden hun vrienden zullen beoorlogen als vijanden, en het aardrijk zal met hen verschrikken; en de aderen der fonteinen zullen stilstaan en zullen in drie uren niet lopen.

4 Ezra 7:35
En het werk zal hen navolgen, en het loon zal vertoond worden; de gerechtigheid, zal opwaken en de ongerechtigheid zal niet heersen.

4 Ezra 7:52
En dat de eer des Allerhoogsten bewaard wordt, om hen te beschermen, die lijdzaam geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben?

4 Ezra 7:60
Doch zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft,

4 Ezra 8:17
Daarom zal ik voor uw aanschijn beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen;

4 Ezra 8:60
Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt desgenen die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.

4 Ezra 9:21
En ik heb gezien, en heb hen zeer gespaard, en heb mij een wijnbezie van een druiftak behouden, en een planting uit vele geslachten.

4 Ezra 9:33
Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, dewijl zij niet bewaarden hetgeen in hen gezaaid was.

4 Ezra 11:21
Want enige uit hen richtten zich ook op, maar verkregen de heerschappij niet.

4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.

4 Ezra 12:26
En dat gij gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat een van hen op zijn bed zal sterven, en nochtans met smarten.

4 Ezra 12:32
Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en hij zal hen bestraffen, en hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.

4 Ezra 12:33
Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal geschieden, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen.

4 Ezra 12:34
Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.

4 Ezra 12:46
Toen antwoordde ik hen en zeide: Zijt goedsmoeds Israël! en zijt niet bedroefd, gij huis Jakobs!

4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.

4 Ezra 13:13
En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; doch sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zeide:

4 Ezra 13:38
Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.

4 Ezra 13:40
Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning der Assyriërs gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.

4 Ezra 14:13
Nu dan beschik uw huis, en bestraf uw volk, en vertroost de vernederden onder hen, en laat alle verderfelijkheid varen.

4 Ezra 14:23
En hij antwoordde mij en zeide: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken.

4 Ezra 14:30
En hebben de wet des levens ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook gijlieden na hen hebt overtreden.

4 Ezra 15:9
Zekerlijk zal ik hen wreken, spreekt de Here, en ik zal al het onschuldig bloed uit hen tot mij nemen.

4 Ezra 15:14
Wee de wereld, en hen, die daarin wonen.

4 Ezra 15:24
Wee hen die zondigen, en mijn geboden niet houden, spreekt de Here.

4 Ezra 15:25
Ik zal hen niet sparen; wijkt gij kinderen uit hun macht: en bevlekt mijn heiligdom niet.

4 Ezra 15:26
Want de Here kent al degenen, die tegen hem zondigen, daarom heeft hij hen overgegeven ter dood en ter slachting.

4 Ezra 15:29
Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagenen, en gelijk als een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen;

4 Ezra 15:30
Namelijk de Karmaniërs razende in hun toorn, en zij zullen komen als wilde zwijnen uit het bos: en zullen aankomen met grote kracht, en zullen tegen hen in de krijg staan, en zullen een deel van het land der Assyriërs verwoesten.

4 Ezra 15:33
En een, op hen aankomende van het land der Assyriërs, zal hen bezetten, en zal een uit hun Oversten ternederhouwen, en daar zal vrees en schrik in hun leger zijn, en twist tegen hun koningen.

4 Ezra 15:37
En die de onstuimigheid zien, zullen verschrikken, en beving zal hen bevangen.

4 Ezra 15:45
En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben.

4 Ezra 15:53
Indien gij mijn uitverkorenen ten allen tijde niet hadt gedood, en uw handen over hen niet hadt verheven om te slaan, en gij niet gezegd hadt, als gij dronken waart over hun dood,

4 Ezra 16:24
En de doden zullen als drek weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen vertroosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden.

4 Ezra 16:47
Want hun vruchten zullen de vreemden maaien, en zullen hun goederen roven, en hun huizen verstoren, en zullen hun kinderen gevangen nemen, want tot de gevangenis en tot hongersnood zullen zij hen voortbrengen.

4 Ezra 16:49
Hoe ik tegen hen meer zal ijveren om hunner zonden wil, spreekt de Here.

4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.

4 Ezra 16:70
En die met hen eens zullen zijn, zullen hun zijn tot een spot, en tot versmading, en tot vertreding.

4 Ezra 16:73
Want zij zullen hen verstoren, en hun goederen roven, en zullen hen uit hun huizen stoten.

Tobias (Tobit) 3:11
Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 4:14
En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder des hongers.

Tobias (Tobit) 5:25
En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?

Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.

Tobias (Tobit) 7:1
EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.

Tobias (Tobit) 7:2
En zij bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.

Tobias (Tobit) 7:5
En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.

Tobias (Tobit) 7:6
En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.

Tobias (Tobit) 7:9
En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.

Tobias (Tobit) 7:18
Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin.

Tobias (Tobit) 7:19
En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,

Tobias (Tobit) 8:12
En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.

Tobias (Tobit) 10:12
En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.

Tobias (Tobit) 11:5
En zij trokken heen, en de hond kwam mede achter hen.

Tobias (Tobit) 11:18
En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve waren.

Tobias (Tobit) 12:7
Toen riep hij hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn aller levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love en zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.

Tobias (Tobit) 12:17
Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede zal u zijn, maar looft God.

Tobias (Tobit) 12:21
En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods, hoe de engel des Heren door hen gezien was.

Tobias (Tobit) 14:7
En God zal zich hunner weder ontfermen, en zal hen doen wederkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste was, totdat de tijden der wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten der wereld, gelijk de profeten daarvan gesproken hebben;

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

Judith 2:6
Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.

Judith 2:8
En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.

Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

Judith 3:5
Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw ogen.

Judith 3:9
En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels.

Judith 5:3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.

Judith 5:8
En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.

Judith 5:10
En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.

Judith 5:11
En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.

Judith 5:12
En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.

Judith 5:13
En heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden.

Judith 5:19
En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat.

Judith 5:23
En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen zodanige ergernis is, zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen.

Judith 5:24
Maar zo daar geen ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het gehele land.

Judith 6:2
Wie zijt gij toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls niet zouden beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God dan Nabuchodonosor?

Judith 6:3
Deze zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze paarden niet wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.

Judith 6:6
En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal ontvallen.

Judith 6:8
En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.

Judith 7:2
Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren.

Judith 7:8
En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 7:12
En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 7:15
En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.

Judith 7:19
En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:24
Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.

Judith 8:27
En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk van geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen.

Judith 10:9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij deden alzo.

Judith 10:12
En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden.

Judith 10:14
Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.

Judith 11:9
Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het aanschijn gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan.

Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.

Judith 11:16
En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;

Judith 13:17
Maar zij sprak tot hen met luider stem:

Judith 13:19
En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het leger der Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel onder hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen door de hand ener vrouw.

Judith 14:1
EN Judith zeide tot hen: Hoort mij nu broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.

Judith 14:2
En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen zijt, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.

Judith 14:4
En zij zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht vlieden.

Judith 14:5
En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders allen die in de gehele landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:8
Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,

Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:

Judith 15:1
EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op hen.

Judith 15:3
En toen vielen tegen hen uit alle strijdbare mannen van de kinderen Israëls.

Judith 15:4
En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen van Israël, die boodschappen zonden hetgeen er geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.

Judith 15:5
Als nu de kinderen Israëls zulks gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was.

Judith 15:6
En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,

Judith 15:7
De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen in het leger der Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer.

Judith 16:7
De Here, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de hand ener vrouw.

Judith 16:14
De zonen der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.

Judith 16:20
Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag des gerichts.

Judith 16:24
En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden lang, en Judith bleef bij hen.

Boek der Wijsheid 1:5
Want de Heilige Geest der onderwijzing vliedt de bedriegerij, wijkt af van de gedachten der onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid daarbij komt.

Boek der Wijsheid 2:21
Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind.

Boek der Wijsheid 3:1
MAAR de zielen der rechtvaardigen zijn in de hand Gods, en geen kwaal zal hen aanraken.

Boek der Wijsheid 3:5
Zijnde een weinig getuchtigd geweest, zullen zij grote weldaden genieten, omdat God hen heeft beproefd, en hen zijns waardig heeft bevonden.

Boek der Wijsheid 3:6
Hij heeft hen beproefd gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.

Boek der Wijsheid 3:8
Zij zullen de heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Here zal als koning in eeuwigheid over hen regeren.

Boek der Wijsheid 4:6
Want kinderen uit onwettige bijslaap geboren, zijn getuigen der boosheid tegen hun ouders, wanneer men hen ondervraagt.

Boek der Wijsheid 4:18
Zij zullen het zien en niets achten, maar de Here zal hen uitlachen.

Boek der Wijsheid 4:19
En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun gedachtenis zal vergaan.

Boek der Wijsheid 4:20
Zij zullen in overlegging hunner zonden komen, bevreesd zijnde; en hun onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, en hen overtuigen.

Boek der Wijsheid 5:16
Maar de rechtvaardigen leven in der eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, en de Allerhoogste zorgt voor hen.

Boek der Wijsheid 5:17
Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten.

Boek der Wijsheid 5:23
Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, als uit een slinger der gramschap; het water der zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen heftig overvloeien.

Boek der Wijsheid 5:24
De Geest der kracht zal hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal de gehele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen der machtigen omkeren.

Boek der Wijsheid 6:16
Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.

Boek der Wijsheid 10:17
Zij heeft de heiligen gegeven loon der heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel des daags, en des nachts tot een vlam der sterren.

Boek der Wijsheid 10:18
Zij heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water.

Boek der Wijsheid 10:19
Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.

Boek der Wijsheid 11:3
Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.

Boek der Wijsheid 11:13
Want een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis der dingen die voorbijgegaan waren.

Boek der Wijsheid 11:18
Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.

Boek der Wijsheid 11:20
Welker beschadiging niet alleen hen tezamen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen.

Boek der Wijsheid 12:2
Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.

Boek der Wijsheid 12:8
Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.

Boek der Wijsheid 12:9
Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.

Boek der Wijsheid 12:16
Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.

Boek der Wijsheid 12:25
Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.

Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Boek der Wijsheid 14:17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.

Boek der Wijsheid 15:6
Zulke mensen zijn beminnaars van kwade dingen, en zodanige hoop waardig, zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren.

Boek der Wijsheid 15:16
Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken die Hem gelijk is.

Boek der Wijsheid 16:3
Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn.

Boek der Wijsheid 16:5
Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,

Boek der Wijsheid 16:6
Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet.

Boek der Wijsheid 16:10
Maar uw kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.

Boek der Wijsheid 16:12
Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar, Here, uw woord, hetwelk alle dingen heelt.

Boek der Wijsheid 16:24
Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen die u betrouwen.

Boek der Wijsheid 17:4
Want ook de binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen gedruis en droevige spokerijen met afschuwelijke aangezichten verschenen hun.

Boek der Wijsheid 17:5
Zelfs geen kracht des vuurs vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen der sterren konden die droevige nacht niet helder maken.

Boek der Wijsheid 17:9
Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde vervaard door het ontmoeten der beesten en schuifelen der kruipende dieren.

Boek der Wijsheid 17:19
Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende beesten, of de stem der huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.

Boek der Wijsheid 17:21
Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die zij zouden ontvangen; doch zij waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.

Boek der Wijsheid 18:2
En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun nochtans geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.

Boek der Wijsheid 18:3
Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de weg der onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg.

Boek der Wijsheid 18:5
En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen der heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte hunner kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.

Boek der Wijsheid 18:17
Toen ontroerden hen terstond zeer de inbeeldingen van schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam hun.

Boek der Wijsheid 18:19
Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun dit tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden.

Boek der Wijsheid 18:21
Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.

Boek der Wijsheid 19:2
Want God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.

Boek der Wijsheid 19:4
Want de noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok hen tot dit einde, en bracht hen in een vergetelheid der dingen die hun wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.

Boek der Wijsheid 19:9
Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.

Boek der Wijsheid 19:14
En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.

Jezus Sirach 1:15
De verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen dronken van haar vruchten.

Jezus Sirach 7:28
Gedenk dat gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?

Jezus Sirach 8:10
Want van hen zult gij onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen.

Jezus Sirach 8:12
Want van hen zult gij verstand leren, en hoe gij in de tijd als het nodig is zult antwoorden.

Jezus Sirach 10:15
Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd.

Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.

Jezus Sirach 17:3
Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.

Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.

Jezus Sirach 17:10
Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.

Jezus Sirach 17:11
Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem, en heeft tot hen gezegd:

Jezus Sirach 17:16
Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen verschoond.

Jezus Sirach 17:17
Want de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.

Jezus Sirach 18:10
Daarom is de Here lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid op hen uit.

Jezus Sirach 23:1
O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.

Jezus Sirach 23:17
Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.

Jezus Sirach 27:29
De hovaardigen bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen gelijk een leeuw.

Jezus Sirach 27:30
Die zich verheugen in de val der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelen, en een zon daar zal daarmee bevangen worden.

Jezus Sirach 28:15
De dubbele tong heeft velen bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere verzet,

Jezus Sirach 28:26
Die de Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden;

Jezus Sirach 28:27
Zij zal over hen gezonden worden als een leeuw, en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.

Jezus Sirach 29:4
Velen menen dat het geleende als gevonden is, en doen de genen moeite aan, die hen geholpen hebben.

Jezus Sirach 29:18
Vergeet de weldaden niet van hen, die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.

Jezus Sirach 29:21
Borgschap heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen gelijk een golf der zee.

Jezus Sirach 32:1
HEBBEN zij u tot een overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van henlieden.

Jezus Sirach 32:2
Bezorg hen, en zet u zo neder.

Jezus Sirach 33:9
Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.

Jezus Sirach 33:11
Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd.

Jezus Sirach 33:12
Enigen uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en enigen uit hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enigen uit hen heeft hij vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.

Jezus Sirach 33:14
Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.

Jezus Sirach 34:14
Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.

Jezus Sirach 34:22
Het brood der behoeftigen is het leven der armen, wie hen daarvan berooft, is een doodslager.

Jezus Sirach 35:19
Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen verbroken zal hebben.

Jezus Sirach 35:22
Totdat hij zal hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid.

Jezus Sirach 36:4
Gelijk gij voor hun ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt moogt worden in hen.

Jezus Sirach 36:13
Vergader alle stammen Jakobs, en stel hen in hun erfdeel, gelijk van het begin.

Jezus Sirach 38:38
Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.

Jezus Sirach 38:40
Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.

Jezus Sirach 39:2
De vertelling der vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat hij met hen om.

Jezus Sirach 44:2
De Here heeft door hen voor zijn majesteit veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af.

Jezus Sirach 44:9
Enigen zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt.

Jezus Sirach 44:10
Doch enigen zijn er waarvan geen gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk of zij niet geweest waren; en zijn geworden alsof zij nooit geboren waren; desgelijks hun kinderen na hen.

Jezus Sirach 44:13
Hun zaad is in de verbonden, en hun kinderen na hen.

Jezus Sirach 45:24
Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door het vlammig vuur.

Jezus Sirach 46:2
Welke groot werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen opstonden, en om Israël te brengen tot de bezitting van zijn erfdeel.

Jezus Sirach 46:7
Hij brak uit met oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde hij die tegenstonden.

Jezus Sirach 46:10
En deze twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en honig vloeit.

Jezus Sirach 47:28
Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.

Jezus Sirach 48:2
Welke over hen bracht een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.

Jezus Sirach 48:23
En de heilige uit de hemel verhoorde hen, en verloste hen door de hand van Jesaja.

Jezus Sirach 48:24
Hij sloeg het leger der Assyriërs, en zijn engel vermorzelde hen.

Jezus Sirach 51:11
Dat gij degenen die lijdzaam verbeiden uithelpt, en hen verlost uit de hand der vijanden.

Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.

Baruch 2:4
Hij heeft hen overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid heeft.

Baruch 2:29
Indien gij mijn stem niet zult horen, zo zal waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen ik hen verstrooien zal.

Baruch 2:34
En ik zal hen doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.

Baruch 4:10
Want ik heb gezien de gevangenis mijner zonen en dochteren, welke de eeuwige over hen gebracht heeft.

Baruch 4:11
Want ik heb hen opgevoed met vreugde, maar ik heb hen heengezonden met wenen en rouw.

Baruch 4:14
Komt gij naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner zonen en dochters, die de eeuwige over hen heeft gebracht.

Baruch 4:15
Want hij heeft over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal.

Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.

Baruch 6:5
Als gij zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Here.

Baruch 6:12
Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het stof des huizes, dat zeer veel op hen is.

Baruch 6:15
Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.

Baruch 6:22
Daaraan zult gij weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.

Baruch 6:23
Want indien niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.

Baruch 6:25
Zonder voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, ver tonende zo de mensen hun oneer.

Baruch 6:26
Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo zet men hun gaven voor.

Baruch 6:28
Hun offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.

Baruch 6:38
Zij zijn sommige houten, sommige vergulde, en sommige verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd worden.

Baruch 6:39
Hoe zal men hen dan goden achten of heten?

Baruch 6:44
Alles wat onder hen geschiedt is leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten?

Baruch 6:46
En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?

Baruch 6:48
Want zo wanneer krijg of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.

Baruch 6:50
Want dewijl zij maar houten, vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna alle volken bekend worden, dat zij leugens zijn; en alle koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen is.

Baruch 6:53
Zij houden geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht, dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.

Baruch 6:57
Want de sterken onder hen halen rondom deze af het goud en het zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen;

Baruch 6:64
Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.

Esther (apocr.) 12:2
En hoorde hun samenspraak, en lette op hun bekommering, en vernam dat zij zich bereidden om de handen te slaan aan Artaxerxes, de koning, en waarschuwde de koning voor hen.

Esther (apocr.) 14:11
Geef, Here, uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.

Esther (apocr.) 16:20
En zult hun te zamen behulpzaam zijn, dat zij degenen, die in de tijd der verdrukking hen zullen overvallen, wreken mogen; namelijk op de dertiende dag der twaalfde maand, genoemd Adar, op dezelfde dag.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:44
En laat beschaamd worden allen die uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:46
De dienaren nu des konings, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:50
En stiet de vlam des vuurs uit de oven, en maakte het middelste des ovens alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen gans niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bekommering aan.

Susanna (Dan. 13) 1:4
En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem tezamen, dewijl hij de aanzienlijkste was van hen allen.

Susanna (Dan. 13) 1:6
Deze waren gedurig in het huis van Jojakim, en tot hen kwamen allen, die enige zaak voor het gericht hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:25
En de ene van hen toelopende deed de deuren van de hof open.

Susanna (Dan. 13) 1:39
En ziende hen bij elkander, konden wij de gezel niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg.

Susanna (Dan. 13) 1:41
En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven.

Susanna (Dan. 13) 1:48
Doch hij staande in het midden van hen, zeide: Zijt gij kinderen Israëls zo dwaas, dat gij een dochter Israëls veroordeelt, eer gij de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt?

Susanna (Dan. 13) 1:51
En Daniël sprak tot hen: Scheidt de een ver van de ander, en ik zal hen ondervragen.

Susanna (Dan. 13) 1:52
Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.

Susanna (Dan. 13) 1:54
Nu welaan dan, indien gij deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom gij hen bij elkander hebt zien verkeren, en hij zeide: Onder een mastiekboom.

Susanna (Dan. 13) 1:61
En stonden op tegen de twee oudsten, overmits Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd.

Susanna (Dan. 13) 1:62
En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op zodanige wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:7
En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zeide tot hen: Indien gijlieden mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult gij sterven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:21
En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.

1 Makkabeeën 1:9
En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;

1 Makkabeeën 1:11
En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.

1 Makkabeeën 1:13
Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen.

1 Makkabeeën 1:31
En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden hem.

1 Makkabeeën 1:32
En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël.

1 Makkabeeën 1:56
En velen van het volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land;

1 Makkabeeën 1:65
En zij hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.

1 Makkabeeën 2:16
En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.

1 Makkabeeën 2:19
En Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst zijner vaderen, en zijn geboden aannam;

1 Makkabeeën 2:30
Om zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.

1 Makkabeeën 2:32
En als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en zeiden tot hen:

1 Makkabeeën 2:35
En zij haastten met de strijd tegen hen.

1 Makkabeeën 2:36
En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:

1 Makkabeeën 2:38
En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen der mensen.

1 Makkabeeën 2:39
En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt.

1 Makkabeeën 2:42
Toen vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet hield.

1 Makkabeeën 2:43
En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.

1 Makkabeeën 2:69
En hij zegende hen, en werd bij zijn vaderen gesteld.

1 Makkabeeën 3:5
En hij, de goddelozen naarstig zoekende, vervolgde hen, en verbrandde degenen, die het volk beroerden;

1 Makkabeeën 3:22
En God zal hen vermorzelen voor onze aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.

1 Makkabeeën 3:23
Als hij ophield met spreken, zo viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem vermorzeld.

1 Makkabeeën 3:24
En zij vervolgden hen in de nedergang van Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen omtrent achthonderd mannen, en de overigen zijn gevloden naar het land der Filistijnen.

1 Makkabeeën 3:25
En de vrees voor Judas en zijn broederen en een verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen waren.

1 Makkabeeën 3:35
Dat hij het krijgsvolk zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis van die plaats weg te nemen.

1 Makkabeeën 3:39
En zond met hen veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te verderven, naar het woord van de koning.

1 Makkabeeën 3:41
En de kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen zeer veel zilver en goud, en dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen, om de kinderen Israëls tot dienstknechten te verkrijgen, en de macht van Syrië en van het land der vreemdelingen is bij hen gekomen.

1 Makkabeeën 3:50
En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?

1 Makkabeeën 4:2
Opdat zij vallen zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.

1 Makkabeeën 4:5
En Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.

1 Makkabeeën 4:9
Gedenkt hoe onze vaderen zijn behouden in de Rode Zee toen Farao met grote macht hen vervolgde.

1 Makkabeeën 4:12
En de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;

1 Makkabeeën 4:15
Maar al de laatsten vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend man.

1 Makkabeeën 4:16
En Judas en zijn krijgsvolk keerden weder van hen te vervolgen;

1 Makkabeeën 4:18
Gorgias en zijn krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna met vrijmoedigheid.

1 Makkabeeën 4:28
En hij vergaderde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.

1 Makkabeeën 4:29
En zij, in Idumeä gekomen zijnde, legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.

1 Makkabeeën 4:31
Besluit dit leger in de hand van uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden in hun macht en paarden.

1 Makkabeeën 4:32
Geef hun versaagdheid, en doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling.

1 Makkabeeën 4:33
Werp hen terneder door het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven met lofzangen.

1 Makkabeeën 4:34
Toen vielen zij op elkander aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neder.

1 Makkabeeën 5:2
En zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te verdelgen; allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder het volk enigen te doden en te verdelgen.

1 Makkabeeën 5:3
Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit.

1 Makkabeeën 5:5
Besloot hij hen in de torens, en legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin waren.

1 Makkabeeën 5:7
En hij leverde hun vele veldslagen, en vermorzelde hen voor zijn aangezicht, en sloeg hen.

1 Makkabeeën 5:9
En de heidenen die in Galaäd waren, vergaderden te zamen tegen de Israëlieten, die in hun landpalen waren, om hen te verdelgen.

1 Makkabeeën 5:16
Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.

1 Makkabeeën 5:21
En Simon trok naar Galilea, en hij leverde vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, en hij vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs toe.

1 Makkabeeën 5:23
Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde.

1 Makkabeeën 5:25
En ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis geschied was;

1 Makkabeeën 5:26
En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al deze steden waren sterk en groot;

1 Makkabeeën 5:27
En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.

1 Makkabeeën 5:33
En uitgaande achter hen met drie slagorden, bliezen zij de trompetten, en riepen in het gebed.

1 Makkabeeën 5:34
En het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man.

1 Makkabeeën 5:38
En Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.

1 Makkabeeën 5:39
En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.

1 Makkabeeën 5:43
En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.

1 Makkabeeën 5:47
Zo sloten die van de stad hen buiten,

1 Makkabeeën 5:49
En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede:

1 Makkabeeën 5:54
En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en zij offerden brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.

1 Makkabeeën 5:58
En het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.

1 Makkabeeën 5:59
En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.

1 Makkabeeën 6:10
Waarom hij al zijn vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de bekommernis.

1 Makkabeeën 6:19
Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.

1 Makkabeeën 6:20
Die, tezamen vergaderd zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, en bij maakte tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van geweld.

1 Makkabeeën 6:21
En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit Israël voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:

1 Makkabeeën 6:27
En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.

1 Makkabeeën 6:34
En zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te maken.

1 Makkabeeën 6:47
En als zij zagen de sterkte des konings, en de aanval van het krijgsvolk, weken zij van hen af.

1 Makkabeeën 6:48
En die van des konings leger waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.

1 Makkabeeën 6:54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.

1 Makkabeeën 6:58
Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk.

1 Makkabeeën 6:60
Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.

1 Makkabeeën 7:4
Het krijgsvolk doodde hen, en Demetrius ging zitten op de troon zijns koninkrijks.

1 Makkabeeën 7:15
En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, en onze vrienden geen kwaad toebrengen.

1 Makkabeeën 7:16
En zij geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:

1 Makkabeeën 7:17
Zij hebben het vlees uwer heiligen, en hun bloed vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.

1 Makkabeeën 7:18
En een vreze voor hen, en een beving viel op het ganse volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.

1 Makkabeeën 7:19
En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.

1 Makkabeeën 7:25
En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze stukken.

1 Makkabeeën 7:34
Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig.

1 Makkabeeën 7:38
Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.

1 Makkabeeën 7:41
Eertijds als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.

1 Makkabeeën 7:45
En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.

1 Makkabeeën 7:46
En uit alle vlekken van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.

1 Makkabeeën 8:1
En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.

1 Makkabeeën 8:2
Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en hen onder schatting hadden gebracht.

1 Makkabeeën 8:3
En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en lankmoedigheid, hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren.

1 Makkabeeën 8:4
En de koningen, die van het uiterste der aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks schatting gaven;

1 Makkabeeën 8:5
En dat zij Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld en hen overwonnen hadden;

1 Makkabeeën 8:6
En onder dezen Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.

1 Makkabeeën 8:9
En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan,

1 Makkabeeën 8:10
Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;

1 Makkabeeën 8:11
En dat zij de overige koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden;

1 Makkabeeën 8:12
Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden;

1 Makkabeeën 8:14
En dat in deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin treffelijk te vertonen;

1 Makkabeeën 8:16
En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.

1 Makkabeeën 8:17
En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken.

1 Makkabeeën 8:18
En om van hen het juk weg te nemen, overmits zij zagen dat het rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht.

1 Makkabeeën 8:21
En deze rede was aangenaam voor hen.

1 Makkabeeën 8:22
En dit was het afschrift van de brief, welke zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:

1 Makkabeeën 8:23
Dat het de Romeinen en het volk der Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen zijn.

1 Makkabeeën 8:24
Doch indien enige oorlog zou mogen ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap der wapenen met hen hebben, in hun gebied,

1 Makkabeeën 8:26
En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen.

1 Makkabeeën 8:27
En volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.

1 Makkabeeën 8:28
En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog.

1 Makkabeeën 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 Makkabeeën 9:6
En zij zagen de menigte des krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven.

1 Makkabeeën 9:7
Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen, en hij werd zeer verslagen;

1 Makkabeeën 9:8
En zeide tot de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan.

1 Makkabeeën 9:9
Doch zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, keert nu weder, want onze broeders zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?

1 Makkabeeën 9:10
En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.

1 Makkabeeën 9:11
Ondertussen brak het krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden de voortocht voor het krijgsvolk, en al de machtigen waren gesteld om eerst te strijden.

1 Makkabeeën 9:15
En de rechtervleugel werd geslagen door dezen, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe.

1 Makkabeeën 9:24
In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen.

1 Makkabeeën 9:25
En Bacchides verkoor goddeloze mannen en stelde hen tot heren des lands.

1 Makkabeeën 9:26
En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.

1 Makkabeeën 9:35
En Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.

1 Makkabeeën 9:40
En zij rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten vielen, en de overgeblevenen vloden naar de berg; en zij kregen al hun buit.

1 Makkabeeën 9:48
En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.

1 Makkabeeën 9:53
En hij nam de zonen van de overste des lands tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.

1 Makkabeeën 9:58
En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in één nacht grijpen.

1 Makkabeeën 9:61
En zij grepen van de mannen des lands, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.

1 Makkabeeën 9:62
En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.

1 Makkabeeën 9:68
En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.

1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.

1 Makkabeeën 10:24
Ik zal ook aan hen schrijven woorden van vermaning, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.

1 Makkabeeën 10:35
Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak.

1 Makkabeeën 10:36
En uit de Joden zullen tot de krijgslieden des konings aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk betaamt de krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden enigen in de grote sterkten des konings;

1 Makkabeeën 10:46
Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

1 Makkabeeën 10:49
En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.

1 Makkabeeën 10:60
En hij reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen.

1 Makkabeeën 10:61
En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.

1 Makkabeeën 10:80
En Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters.

1 Makkabeeën 11:33
Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen van Judea; de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke van het land van Samarië gevoegd zijn bij Judea; en al hetgeen wat daaraan behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas der aarde, en van de boomvruchten.

1 Makkabeeën 11:61
En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.

1 Makkabeeën 11:65
En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin.

1 Makkabeeën 11:67
En ziet, het leger der vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren.

1 Makkabeeën 11:71
En hij keerde weder tot hen, en streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vloden.

1 Makkabeeën 11:72
Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.

1 Makkabeeën 12:1
Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder te vernieuwen.

1 Makkabeeën 12:3
En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen, gelijk tevoren.

1 Makkabeeën 12:4
En zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden in het land Juda.

1 Makkabeeën 12:16
Zo hebben wij dan verkoren Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en gemeenschap van wapenen met hen weder te vernieuwen.

1 Makkabeeën 12:25
Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen.

1 Makkabeeën 12:26
En hij zond verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, om hen des nachts te overvallen.

1 Makkabeeën 12:30
En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken.

1 Makkabeeën 12:31
En Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit.

1 Makkabeeën 12:35
En Jonathan keerde weder, en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten te bouwen in Judea;

1 Makkabeeën 12:51
En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.

1 Makkabeeën 12:53
Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten hen te verdelgen,

1 Makkabeeën 12:54
Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit de mensen uitroeien.

1 Makkabeeën 13:3
En vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf, wat ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben.

1 Makkabeeën 13:21
En die in de burcht waren zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen door de woestijn, en hun proviand toezenden.

1 Makkabeeën 13:47
En Simon liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.

1 Makkabeeën 13:49
Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood, en velen van hen stierven van honger.

1 Makkabeeën 13:50
En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen.

1 Makkabeeën 14:10
De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat zijn heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste der aarde.

1 Makkabeeën 14:12
En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.

1 Makkabeeën 14:13
Want die hen bestreden hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld in die dagen.

1 Makkabeeën 14:24
Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap der wapenen te bevestigen.

1 Makkabeeën 14:26
Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders huis, hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen platen, en stelden het op aan kolommen op de berg Sion.

1 Makkabeeën 15:19
Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.

1 Makkabeeën 15:20
En wij hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen.

1 Makkabeeën 15:21
Indien er dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.

1 Makkabeeën 16:2
En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls verlost hebben.

1 Makkabeeën 16:5
En des morgens vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek.

1 Makkabeeën 16:6
Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.

1 Makkabeeën 16:8
En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten naar de sterkte.

1 Makkabeeën 16:9
Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd had.

1 Makkabeeën 16:13
En zijn hart werd verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.

1 Makkabeeën 16:15
En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.

1 Makkabeeën 16:22
En hij, dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden.

2 Makkabeeën 1:16
En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur des gewelfs, en werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren.

2 Makkabeeën 1:26
Ontvang deze offerande voor al uw volk Israël, en bewaar uw deel, en heilig hen.

2 Makkabeeën 1:28
Pijnig hen, die ons overheersen, en die ons in hovaardigheid smaadheid aandoen.

2 Makkabeeën 2:3
En andere dergelijke dingen hun aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet zouden afwijken van de wet,

2 Makkabeeën 2:7
En hoe Jeremia, dit verstaande, hen bestraffende gezegd heeft, dat die plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen.

2 Makkabeeën 2:23
En dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid hun genadig was geworden;

2 Makkabeeën 3:25
Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.

2 Makkabeeën 4:12
En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen daartoe had verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.

2 Makkabeeën 4:16
Om dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.


1 - 500  [501 - 608]