woord OT NT apo Bijbel
hetgeen127239195561

Vindplaatsen van hetgeen in de Apocriefe geschriften. Het woord komt er 195 keer voor, in 176 verzen.

3 Ezra 1:11
Om de Here te offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven was, en alzo geschiedde het vroegoffer.

3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.

3 Ezra 2:20
Dewijl men dan in het werk is met hetgeen de tempel aangaat, zo heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.

3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen volgt:

3 Ezra 2:30
Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.

3 Ezra 3:17
Doet ons verklaring van hetgeen bij ulieden is geschreven.

3 Ezra 4:17
En zij zelf maken de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.

3 Ezra 4:39
En bij haar is geen aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.

3 Ezra 4:57
En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.

3 Ezra 5:49
En bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop brandofferen te offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes de man Gods verhaald staat.

3 Ezra 5:72
Maar wij zullen alleen voor de Here Israëls bouwen, volgens hetgeen Cyrus, de koning der Perzen ons heeft bevolen.

3 Ezra 6:32
Daartoe zal men bevelen, zo wie overtreden zal, of teniet doen iets van hetgeen aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen zijn.

3 Ezra 7:1
TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;

3 Ezra 7:6
En de kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij gevoegd waren, deden volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven staat;

3 Ezra 8:9
Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:

3 Ezra 8:13
Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens hetgeen in de wet des Heren vervat is.

3 Ezra 8:15
Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe behoort.

3 Ezra 8:87
Doch al hetgeen ons overkomt, geschiedt vanwege onze boze werken en onze grote zonden.

4 Ezra 1:37
Ik betuig van de genade van het komende volk, wiens kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, welke mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven hetgeen ik gezegd heb.

4 Ezra 3:22
En het werd een bijblijvende zwakheid, en de wet is gebleven met het hart des volks, en met de boosheid van de wortel, en hetgeen goed is, dat is weggegaan, en het boze is gebleven.

4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.

4 Ezra 4:27
En kan niet vatten hetgeen in toekomende tijden de rechtvaardigen toegezegd is, want deze tijd is vol ongerechtigheid en zwakheid.

4 Ezra 4:29
Zo nu hetgeen gezaaid is, omgekeerd wordt, en de plaats niet wegwijkt, waar het kwade gezaaid is, zo zal het goede niet komen waar het gezaaid is.

4 Ezra 4:42
Want gelijk een die baart zich haast, om van de nood der geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven hetgeen haar bevolen is.

4 Ezra 4:43
Van het begin dan wordt u getoond, hetgeen gij begerig zijt te zien.

4 Ezra 4:46
Hetgeen voorbijgegaan is, dat weet ik; maar wat toekomende is, dat weet ik niet.

4 Ezra 5:49
Want gelijk een jong kind niet baart, hetgeen der ouden is, zo heb ik ook de geschapen wereld geordineerd.

4 Ezra 7:11
Want om hunnentwil heb ik de wereld gemaakt, en als Adam mijn inzettingen overtreden heeft, zo is dat geoordeeld, hetgeen geschied is.

4 Ezra 7:14
Indien dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door hetgeen hier eng en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen hetgeen weggelegd is.

4 Ezra 7:16
En waarom hebt gij niet ter harte genomen hetgeen toekomend is, maar hetgeen tegenwoordig is?

4 Ezra 7:58
Opdat hij lijde hetgeen gij gezegd hebt, indien hij overwonnen wordt, maar indien hij overwint, zo zal hij ontvangen hetgeen ik zeg.

4 Ezra 8:9
Hetzelve nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkander bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te harer tijd weder hetgeen in haar gewassen is.

4 Ezra 8:11
Opdat hetgeen geschapen is voor een tijd gevoed worde, en gij het daarna uwer barmhartigheid beveelt.

4 Ezra 8:14
Indien gij dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden worde hetgeen gemaakt is.

4 Ezra 8:59
Want gelijk ulieden zal wedervaren hetgeen tevoren gezegd is, zo zal hun dorst en smart wedervaren, welke hun toebereid zijn. Want hij heeft niet gewild, dat de mens teniet zou worden.

4 Ezra 9:5
Want gelijkerwijs al hetgeen in de wereld gemaakt is een begin heeft, zo heeft het ook een einde, en dat einde is openbaar.

4 Ezra 9:33
Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, dewijl zij niet bewaarden hetgeen in hen gezaaid was.

4 Ezra 9:34
En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een vat de spijs en de drank, wanneer hetgeen verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is,

4 Ezra 9:35
Dat hetgeen gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en hetgeen daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons;

4 Ezra 11:36
En ik hoorde een stem die tot mij zeide: Zie tegenover u, en merk op hetgeen gij ziet.

4 Ezra 12:39
Maar verbeid gij hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond worde hetgeen de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen.

4 Ezra 13:18
Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en hetgeen deze overkomen zal, mitsgaders ook degenen die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:21
Ik zal u ook de verklaring van dit gezicht zeggen, en zal u openbaren hetgeen waarvan gij gesproken hebt.

4 Ezra 13:58
En dat hij de tijd, met hetgeen in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat aldaar drie dagen.

4 Ezra 14:12
Maar er is nog overig hetgeen na het tiende deel en een half volgt.

4 Ezra 14:32
En alzo hij een rechtvaardig rechter is, zo heeft hij van ulieden indertijd genomen, hetgeen hij gegeven had.

4 Ezra 14:38
En mij geschiedde des anderen daags, dat een stem mij riep, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink hetgeen ik u te drinken zal geven.

4 Ezra 15:8
Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen hetgeen zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot mij; en de zielen der rechtvaardigen roepen zonder ophouden.

4 Ezra 15:20
Zie ik roep tezamen, spreekt de Here, al de koningen der aarde om mij te vrezen, welke daar zijn van het westen, en van het zuiden, en van het oosten, en van Libanon, om tegen zichzelf te keren, en te vergelden hetgeen zij hun aangedaan hebben.

Tobias (Tobit) 2:14
En toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven zoude.

Tobias (Tobit) 3:6
En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.

Tobias (Tobit) 4:7
Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.

Tobias (Tobit) 4:16
Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg.

Tobias (Tobit) 4:21
En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk is voor hem.

Tobias (Tobit) 5:21
Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Tobias (Tobit) 5:26
Och of dat geld nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.

Tobias (Tobit) 7:9
En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.

Tobias (Tobit) 8:14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 13:4
Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;

Judith 8:25
En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.

Judith 11:10
Want dewijl hun de spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft te eten.

Judith 12:2
Maar Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten, opdat geen aanstoot daaruit ontsta, maar uit hetgeen mij volgt, zal mij toegediend worden.

Judith 12:4
En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb, of de Here zal door mijn hand gedaan hebben, hetgeen Hij heeft beraadslaagd.

Judith 12:19
En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd bereid had.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:7
En Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.

Judith 15:1
EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel op hen.

Judith 15:4
En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen van Israël, die boodschappen zonden hetgeen er geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.

Boek der Wijsheid 1:7
Want de Geest des Heren vervult de aarde, en hetgeen alles tezamen houdt heeft kennis der stem.

Boek der Wijsheid 2:6
Komt dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten, en hetgeen wij bezitten metterhaast gebruiken, gelijk in de jeugd.

Boek der Wijsheid 2:11
Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut bevonden.

Boek der Wijsheid 7:15
En God heeft mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven zijn, want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert de wijzen recht.

Boek der Wijsheid 8:9
Zo heb Ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn, in zorg en droefheid.

Boek der Wijsheid 9:16
En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?

Boek der Wijsheid 9:18
En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is.

Boek der Wijsheid 10:8
Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.

Boek der Wijsheid 11:26
En hoe zou er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?

Boek der Wijsheid 12:11
Want het was een vervloekt zaad van den beginne; noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.

Boek der Wijsheid 13:18
En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.

Boek der Wijsheid 13:19
En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.

Boek der Wijsheid 14:10
En daarom zal hetgeen gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft worden.

Boek der Wijsheid 15:17
Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Boek der Wijsheid 16:21
Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.

Boek der Wijsheid 16:27
Want hetgeen van het vuur niet verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der zon.

Boek der Wijsheid 17:6
Maar alleen enig vanzelf brandend vuur vol vrees verscheen hun, en vervaard zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden zij hetgeen zij zagen voor erger.

Jezus Sirach 7:28
Gedenk dat gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?

Jezus Sirach 8:9
Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.

Jezus Sirach 11:25
Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?

Jezus Sirach 14:21
Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt.

Jezus Sirach 15:11
Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.

Jezus Sirach 15:15
En heeft gezegd: Indien gij wilt, gij zult de geboden houden en het geloof om te doen hetgeen mij behaagt.

Jezus Sirach 15:17
Het leven en de dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.

Jezus Sirach 16:18
Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.

Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.

Jezus Sirach 18:2
De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.

Jezus Sirach 18:29
Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.

Jezus Sirach 22:26
Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een iegelijk vriend weg.

Jezus Sirach 27:8
Indien gij hetgeen recht is najaagt, zo zult gij het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange heerlijke tabberd.

Jezus Sirach 28:28
Zie toe, omtuin hetgeen gij bezit met doornen, en maak voor uw mond deuren en grendelen.

Jezus Sirach 29:25
Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.

Jezus Sirach 31:15
Is er wat bozer geschapen dan zulk een oog? daarom weent het vanwege al hetgeen dat het ziet.

Jezus Sirach 31:17
Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let op alle dingen.

Jezus Sirach 31:18
Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.

Jezus Sirach 31:29
De oven beproeft hetgeen door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als zij dronken zijn.

Jezus Sirach 32:18
Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.

Jezus Sirach 35:10
Geef de Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en met een goed oog hetgeen uw hand gevonden heeft.

Jezus Sirach 36:27
Waar geen heining is, daar wordt hetgeen men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.

Jezus Sirach 37:10
En zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen zal.

Jezus Sirach 39:16
Nog zal ik vertellen hetgeen ik bedacht heb, want ik ben vervuld gelijk de volle maan.

Jezus Sirach 39:22
Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand die verminderen zal hetgeen hij behouden wil.

Jezus Sirach 40:2
Aangaande hun gedachten, en de vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben, de dag des doods;

Jezus Sirach 40:21
Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.

Jezus Sirach 41:6
En wat wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?

Jezus Sirach 41:26
Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft.

Jezus Sirach 41:29
Schaamt u van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken;

Jezus Sirach 42:18
Nu zal ik gedenken de werken des Heren, en hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden des Heren ziet men zijn werken.

Jezus Sirach 48:18
Enigen hunner deden wel hetgeen, God behagelijk was, maar enigen vermenigvuldigden de zonden.

Baruch 4:3
Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.

Baruch 4:4
Zalig zijn wij Israël, want hetgeen God behaagt is ons kennelijk.

Baruch 6:58
Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden.

Baruch 6:61
En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen hetgeen bevolen is.

Baruch 6:62
En het vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet hetgeen bevolen is; doch deze zijn die noch ingestalte, noch in kracht gelijk.

Esther (apocr.) 14:5
Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat gij Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al hetgeen gij hun gesproken hadt.

Esther (apocr.) 16:7
Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historiën, gelijk wij verhaald hebben, als wel uit hetgeen ons voor de voeten is, zo gij onderzoekt hetgeen onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid dergenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt.

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:43
Gij weet dat zij leugens tegen mij getuigen, en zie ik moet sterven daar ik niets gedaan heb van hetgeen deze tegen mij boos getuigen.

1 Makkabeeën 6:23
Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.

1 Makkabeeën 8:1
En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.

1 Makkabeeën 9:22
En hetgeen nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.

1 Makkabeeën 9:62
En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.

1 Makkabeeën 10:27
En nu blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor hetgeen gij ons doet.

1 Makkabeeën 10:56
En nu ik zal u doen hetgeen gij geschreven hebt; doch kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkander mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, gelijk gij gezegd hebt.

1 Makkabeeën 11:32
Wij hebben voorgenomen aan het volk der Joden, die onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid jegens ons.

1 Makkabeeën 11:33
Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen van Judea; de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke van het land van Samarië gevoegd zijn bij Judea; en al hetgeen wat daaraan behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas der aarde, en van de boomvruchten.

1 Makkabeeën 11:52
En hij hield niet van hetgeen hij beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.

1 Makkabeeën 14:22
En wij hebben geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.

1 Makkabeeën 14:43
Dat bij ook zou verzorgen hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.

1 Makkabeeën 14:44
En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of enige vergadering in het land te vergaderen zonder hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met een gouden gesp.

1 Makkabeeën 15:27
En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd.

1 Makkabeeën 16:23
Hetgeen nu Johannes verder gedaan heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke daden, die hij mannelijk uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden,

2 Makkabeeën 1:21
Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen; en als hetgeen tot de offeranden behoorde geofferd was, gebood Nehemia de priesters het hout, en wat daarop lag, te besprengen met dat water.

2 Makkabeeën 2:32
Doch een kort begrip van hetgeen te zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring der zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift maakt.

2 Makkabeeën 3:7
Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zoude.

2 Makkabeeën 3:9
Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in der waarheid waren.

2 Makkabeeën 3:23
Doch Heliodorus zocht te volbrengen hetgeen besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist met de hellebaardiers tegenwoordig was,

2 Makkabeeën 3:40
En dit is hetgeen gebeurd is aangaande Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.

2 Makkabeeën 4:5
Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op hetgeen al de menigte, zo in het gemeen als in het bijzonder, dienstig zou zijn.

2 Makkabeeën 4:49
Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, zeer treffelijk besteld hebben hetgeen tot hun begrafenis nodig was.

2 Makkabeeën 6:21
En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.

2 Makkabeeën 9:3
En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van hetgeen Nicanor en Timotheüs wedervaren was.

2 Makkabeeën 9:25
Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder is geschreven.

2 Makkabeeën 10:10
Doch nu zullen wij verklaren hetgeen onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, geschied is, kortelijk saamvattende de gedurige ellende der oorlogen.

2 Makkabeeën 10:12
Want Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte hetgeen hun aanging vreedzaam te bestellen.

2 Makkabeeën 10:21
En als hetgeen daar geschied was, de Makkabeeër geboodschapt was, vergaderde hij de oversten des volks, en beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten.

2 Makkabeeën 11:1
En een zeer weinig tijds daarna, Lysias, des konings hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over hetgeen geschied was,

2 Makkabeeën 11:15
Makkabeüs nu, zorgdragende voor hetgeen oorbaar was, stond toe al hetgeen dat Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe.

2 Makkabeeën 11:17
Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen hetgeen daarin te kennen gegeven wordt.

2 Makkabeeën 11:18
Zo heb ik dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan heeft.

2 Makkabeeën 11:31
Dat de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, gelijk als van tevoren, en dat niemand hunner op enigerlei wijze moeite zal aangedaan worden, om van hetgeen onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn.

2 Makkabeeën 11:35
Hetgeen Lysias, de bloedvriend des konings, u toegestaan heeft, dat vinden wij ook goed.

2 Makkabeeën 11:36
Doch aangaande hetgeen hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt terstond iemand die daarover mag handelen, opdat wij mogen verklaring doen van hetgeen u dienstig is. Want wij trekken naar Antiochië.

2 Makkabeeën 12:42
En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen, die gevallen waren.

2 Makkabeeën 13:20
En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, hetgeen zij van node hadden.

2 Makkabeeën 15:39
En indien ik dit wel, en gelijk het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar indien ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is hetgeen dat ik heb kunnen doen.

3 Makkabeeën 1:8
Als nu de Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over hetgeen geschied was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.

3 Makkabeeën 1:9
En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts op die plaats placht te geschieden, gedaan had;

3 Makkabeeën 1:14
Maar als de priesters met hun geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen daar gedaan was.

3 Makkabeeën 1:18
En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin tezamen gekomen waren, tegen hetgeen onheilig door hem onderstaan werd.

3 Makkabeeën 1:22
Doch hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken aan hetgeen tevoren gezegd is.

3 Makkabeeën 5:18
Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.

3 Makkabeeën 6:22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.

3 Makkabeeën 6:25
Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.

3 Makkabeeën 7:6
En wij hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.